De hang naar kapitalen

maandag 15 juni 2015

Ik ben het de laatste tijd een paar keer tegengekomen in mijn redactiepraktijk: Nederlandse titels die met hoofdletters worden geschreven waar dat niet hoeft, en volgens de Nederlandse spellingregels eigenlijk ook niet hoort. Een paar fictieve voorbeelden: ‘De Hang Naar Kapitaal’, ‘Mijn Leven Met Twee Katten’, ‘Te Voet Naar Parijs’. Volgens de Nederlandse spelling moet dat respectievelijk zijn: ‘De hang naar kapitaal’, ‘Mijn leven met twee katten’, ‘Te voet naar Parijs’.

Waarom beginnen mensen opeens titels vol hoofdletters te schrijven in het Nederlands? Een verklaring ligt voor de hand: de meesten van ons lezen veel Engels (op het internet en elders), en in het Engels worden de belangrijkste woorden in een titel met hoofdletters geschreven. Een paar bestaande voorbeelden: ‘Game of Thrones’, ‘Far from the Madding Crowd’, ‘The Englishman Who Went Up a Hill But Came Down a Mountain’. Als je dat gebruik aldoor rond je ziet in het Engels, kun je op den duur beginnen twijfelen of je dat ook niet in het Nederlands zo moet doen.

Niet dus. In het Nederlands zijn we tamelijk zuinig met hoofdletters. Ook als het gaat om eretitels en functiebenamingen moet iemand al van erg hoge komaf zijn om een hoofdletter te verdienen. We schrijven over koning Filip, paus Franciscus, de minister van Onderwijs, de algemeen directeur van een onderneming … Meer daarover volgt nog wel eens in een aparte blogpost, maar het punt is: in het Nederlands strooien we niet zo snel met kapitalen.

Terug naar de titels. Tenzij je Gerard Reve of Winnie de Poeh heet en graag Belangrijke Woorden een Hoofdletter meegeeft om er wat Extra Gewicht of een Ironische Lading aan te geven, volstaat het om het eerste woord van een titel met een hoofdletter te schrijven. Behalve uiteraard als er in de titel nog een eigennaam, plaatsnaam, merknaam … voorkomt. Die krijgt dan net als in lopende tekst ook een hoofdletter. Bijvoorbeeld: ‘Haar naam was Sarah’, ‘Nachttrein naar Lissabon’, ‘Apple of Windows? De keuze is aan u’. Een enkele keer kan het wel gepast zijn om een woord met een hoofdletter te schrijven om het een extra lading mee te geven, bv. ‘Het grote Niets’, maar ik zou er toch spaarzaam mee zijn.

Wat doe je dan met Engelse titels in een Nederlandse tekst? Schrijf je ‘Ik ben gisteren naar Far from the Madding Crowd gaan kijken’ (de Engelse conventie) of ‘Ik vond Matthias Schoenaerts geweldig in Far from the madding crowd‘ (de Nederlandse conventie)? Taaladvies stelt dat beide kunnen, maar geeft de voorkeur aan de Nederlandse conventie. Ik geef toe dat ik zelf doorgaans de Engelse conventie volg, maar dat zal de anglist in mij zijn. Ook redacteuren hebben soms hun persoonlijke voorkeuren …

In elk geval raadt ook Taaladvies af de Engelse conventie door te trekken in Nederlandse titels en daar alle woorden met een hoofdletter te schrijven. Niet doen dus.

Tot slot. Gewoontes zijn hardnekkig, en de menselijke geest is zwak. Als je toch de onbedwingbare neiging zou hebben om een Nederlandse titel vol kapitalen te stoppen, dan kan ik de shocktherapie van dr. Switzer aanbevelen.


2014: woord vooraf

maandag 23 december 2013

Het nieuwe jaar is alweer daar. Voor 2014 geef ik een paar dingen ter overweging mee die met schrijven en woorden te maken hebben.

1. Schrijf als je iets te vertellen hebt.

2. ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’ (Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico-philosophicus)

3. Houd het Engelse acroniem ‘THINK’ in gedachten als je iets schrijft:

- Is it True?
- Is it Helpful?
- Is it Inspiring?
- Is it Necessary?
- Is it Kind?

4. ‘Be kind whenever possible. It is always possible.’ (Dalai Lama)

5. ‘Wees onberispelijk in je woorden.’ (Don Miguel Ruiz, De vier inzichten)

6. ‘Uw ja moet ja zijn en uw neen, neen.’ (Matteüs 5:37)

7. ‘Orden bära icke bojor, sade han. Orden, dem hava stormvindens kraft.’ (Torgny Lindgren, Merabs skönhet)

(Woorden dragen geen ketenen, zei hij. Woorden hebben de kracht van een stormwind.)

Mijn wens voor 2014: ga bewust met je woorden om.

Dit gezegd zijnde wens ik je een heel mooi jaar toe.


Schrijven in tijdsblokken

zondag 25 augustus 2013


Een tijd geleden postte iemand op mijn Facebookpagina een link naar een verhaal over een beroemde copywriter, Eugene Schwartz, die een simpel maar doeltreffend systeem had om te werken: hij zette elke dag zijn wekker zes keer op 33’33″ en verplichtte zichzelf om gedurende die tijd op zijn stoel te blijven zitten en niets anders te doen dan bezig te zijn met de opdracht die voor hem lag. Zes korte tijdsblokken van gefocust werk. ‘Iets voor jou?’ vroeg degene die het bericht gepost had.

Ik besloot het uit te proberen en constateerde: inderdaad iets voor mij. Ik verlengde de tijdsblokken wel tot 40 minuten, omdat dat iets eenvoudiger rekent en omdat 33 minuten net te kort bleek – zodra ik goed op dreef was, moest ik weer stoppen. 40 minuten bleek beter aan te sluiten bij mijn natuurlijke intellectuele spanningsboog.

Maar wat een geweldig principe! Ik constateerde heel snel dat mijn focus sterker werd. Meer zelfs: tussen twee ‘shifts’ in was ik minder afgeleid, minder geneigd om op Facebook te gaan kijken of e-mails te gaan lezen. Ik dwong mezelf om tussen twee schrijf- of redactierondes op te staan, wat rond te wandelen en bewust even mijn gedachten los te maken van mijn werk. Maar ik merkte algauw dat ik zelfs in die pauzes erop gebrand was weer verder te werken, omdat ik zo gefocust was in die korte maar gerichte tijdspannes. Elk tijdsblok leverde resultaat op, en op dat resultaat wilde ik verder bouwen.

Aan de weg timmeren

Ik merkte nog een ander voordeel op, namelijk dat er niet langer zoiets als een ‘moeilijke’ opdracht bestond. Alles werd behapbaar in tijdsblokken van maximum 40 minuten. In die tijd hoefde ik geen bergen te verzetten, geen verpletterend proza te schrijven, geen glasheldere argumenten neer te zetten waar niemand meer iets tegenin kon brengen. Neen, in die 40 minuten moest ik gewoon verder timmeren aan de weg.

40 minuten is voldoende tijd om een paar paragrafen te schrijven. En een paar paragrafen zijn genoeg om het gevoel te hebben dat je iets substantieels hebt gedaan, iets constructiefs wat de moeite is om op verder te werken. 40 minuten kunnen lang zijn als je even zonder inspiratie zit, maar niet zo lang dat je het gevoel hebt in een gevangenis van tijd te zijn opgesloten. 40 minuten zijn doenbaar, overbrugbaar. Je hoeft je natuurlijke neiging tot afleiding niet voor altijd opzij te zetten, maar gewoon voor even. Voor je het weet zit je in een drive en gaat de wekker. En vloek je binnensmonds omdat je net zo goed op dreef was.

Maar dan is het de kunst om weer op te staan en van je werk weg te lopen. Want de ‘gedwongen’ pauzes dwingen je om je mentale batterijen weer op te laden. Als je schrijft tot je mentaal leeg bent, duurt het veel langer om je hersenen weer op te laden. Je bent vermoeider, je hebt veel langer nodig om weer tot werken in staat te zijn. Als je stopt voor je echt moe bent, recupereer je veel makkelijker en vind je je mentale balans sneller terug.

Werken is voor mij veel prettiger geworden op deze manier. Als ik schrijf of redigeer, ben ik gefocust. Als ik ontspan, zet ik zonder schuldgevoel mijn werk van mij af. Omdat ik weet dat ik straks weer herbegin voor een hanteerbare tijdsperiode. Niet voor uren aan een stuk, maar voor 40 minuten per keer.

Wel bepaal ik voor mijzelf een minimum aantal tijdsblokken dat ik per dag wil halen. Maar ook een maximum. En zo wordt werken – zelfs aan ‘moeilijke’ opdrachten – een heel stuk makkelijker. En aangenamer vooral. Werk en rust in balans.

Bedankt, Eugene Schwartz, voor zo’n geniaal eenvoudig principe. En vooral ook bedankt, Kenny Vermeulen, om mij hierop attent te maken.

Voor wie het zelf wil uitproberen: kies een tijdsduur die comfortabel aanvoelt voor jou, experimenteer met het aantal tijdsblokken dat je zo per dag wilt werken, en vind het juiste evenwicht. Veel plezier en productiviteit gewenst!

P.S. Deze blogpost is geschreven in twee tijdsblokken: een voor de ruwe tekst, een voor redactie en het kiezen van beeldmateriaal.


Het uitroepteken

donderdag 26 januari 2012


Het idee voor deze blogpost zat al in mijn gedachten net na het schrijven van de vorige, en dat is inmiddels bijna drie maanden geleden. Kun je nagaan hoeveel weerstand ik heb tegen het uitroepteken.

Want het is ook een monster! Niet zo erg als de puntkomma, maar toch, het is er verre familie van in zijn irritatiefactor.

Een uitroepteken geeft kracht aan een zin, maar vaak doet het dat met zoveel bombarie dat al die kracht verloren gaat.

Mijn motto is: less is more. Vergelijk dat met: less is more! Nadrukkelijk gillen, met de borst vooruit. Je ziet het zo voor je. Je ziet het zo voor je! Toch?!

Nog erger is het als iemand twee uitroeptekens na elkaar gebruikt. Dat is werkelijk nergens voor nodig!! Twee uitroeptekens (of meer) naast elkaar hebben hoegenaamd geen enkele cumulatieve kracht. Integendeel, ze verwateren het effect waar je bij staat. Hoe meer uitroeptekens je nodig hebt, hoe minder kracht er uitgaat van je woorden zelf. Als je er zoveel bewijsmateriaal aan moet toevoegen, dan is je mededeling al geïmplodeerd nog voor ze er goed en wel staat.

Een uitroepteken kan. Een zeldzame keer. Om iets écht heel krachtig te onderstrepen. Maar het wordt vaak op een proselytische manier gebruikt, om mensen te overtuigen van het eigen groot gelijk. Met de vuist op tafel te slaan.

Het uitroepteken ruikt naar propaganda en pamfletten. Kameraden! Waarde landgenoten! Het heeft zo’n verheven bezielingsdrang en overtuigingsijver dat ik er niet goed van word. En als ik over het uitroepteken schrijf, ga ik vanzelf dure en grote woorden gebruiken. Want voor het uitroepteken is het ondermaanse niet goed genoeg. Neen! Het moet groot, ronkend en verheven klinken om gewaagd te zijn aan de explosieve munitie onder in dat kleine puntje, dat de streep naar boven doet knallen. Romantiek, mijn beste! Verheven, bovennatuurlijke krachten! 19de-eeuwse interpunctie!

Ach, een vriend van het uitroepteken zal ik nooit worden. Ik gun ieder diertje zijn pleziertje, maar vraag mij niet om uitroeptekens te gebruiken. Ik roep niet graag, en zeker niet al schrijvend. Liever bedien ik mij van een punt om rustig en beslist een einde te zetten achter een mededeling. Zonder bombarie, zonder gedruis.

Blijkbaar ben ik niet de enige die een aversie heeft tegen het uitroepteken, want al researchend kwam ik goed gezelschap tegen.
Veel kijkplezier!

drs. P.: Het uitroepteken

Seinfeld: Elaine and Mr Lippman

Seinfeld: The Sniffing Accountant


De puntkomma

zondag 30 oktober 2011

‘If you really want to hurt your parents, and you don’t have the nerve to be a homosexual, the least you can do is go into the arts. But do not use semicolons. They are transvestite hermaphrodites, standing for absolutely nothing. All they do is show you’ve been to college.’

(Kurt Vonnegut, Knowing What’s Nice)

Een halfslachtig gedrocht

Wie mij een beetje kent, weet dat ik geen groot liefhebber ben van de puntkomma. Dat heeft zo zijn redenen.

De puntkomma is een gedrocht; het is een leesteken dat een beetje van dit en een beetje van dat wil zijn. Het geeft een scheidingsmarkering aan tussen twee zinnen, maar net niet genoeg om een punt te zijn en net te veel om een komma te zijn.

Ik vind: kies wat je wil zeggen. Ofwel geef je een markering tussen twee zinsdelen, en dan gebruik je een komma, ofwel onderscheid je duidelijk twee zinnen. En dan is een punt al wat je nodig hebt. (Over het uitroepteken hebben we het later nog wel eens! Of over het beletselteken met zijn insinuerende ondertoon …)

Zwaarte versus rustpunten

Een puntkomma geeft zwaarte aan een zin; hij vraagt van de lezer bovennatuurlijke concentratie, want je gaat maar oeverloos door. Een puntkomma zegt: ‘Wacht nog even, want ik ben nog niet helemaal klaar met mijn gedachtegang’, en dan moet je als lezer je verstand op scherp zetten; je moet een hele zin in je kortetermijngeheugen bewaren, om dan de volgende eraan te breien in je verstand. Een beetje menslievende schrijver ontziet zijn lezer en geeft hem voldoende rustpunten.

Een punt geeft aan dat je als lezer de zin mag opbergen in je langetermijngeheugen en mag overgaan naar de volgende zin. Punt, afgesloten, gezegd wat is gezegd. Een puntkomma laat je hangende als lezer; je verwacht een vervolg, maar daarvoor moet je je inspannen; je krijgt de zin verdomd niet cadeau.

Ontzie je lezer

Wees lief voor je lezer en ontzie hem een beetje. Hij moet al zoveel lezen op een dag. Spaar zijn vermoeide hersenen en leid hem door de golven van je taal op een manier die geen zwoegwerk vereist. Geef hem rustpunten, haltes op de route van je verhaal. Hij zal je belonen door je tekst uit te lezen tot op het einde. En dat zal geen bitter einde zijn als je de puntkomma zo veel mogelijk achterwege laat.

Uiteraard gebeurt het wel eens dat een puntkomma op zijn plaats is. Als een punt écht te veel is en een komma echt te weinig. Of als je een opsomming moet maken waar duo’s in voorkomen, bv.: ‘Parijs, Frankrijk; Berlijn, Duitsland; London, Groot-Brittannië’. In die zeldzame gevallen moet je het ook maar gewoon gebruiken zonder kunst- en vliegwerk om het te omzeilen. Maar anders vind ik een puntkomma een hoogst ergerlijke uitvinding, die op z’n hoogst in een smiley tot haar recht komt. En dan nog …

P.S.
Uiteraard is dit mijn hoogstpersoonlijke visie; wie neutralere theoretische informatie wil over de puntkomma zal op Taaladvies.net lezen dat dit leesteken een nauw verband tussen twee zinnen aangeeft. Maar als je het mij vraagt, wordt de puntkomma vaak misbruikt op een manier die geen dergelijk verband aangeeft. En daarover gaat mijn ergernis.


Hoe ontwikkel je een authentieke schrijfstem?

zondag 23 oktober 2011

Een stem die iedereen herkent als de jouwe – markant, eigen aan je persoonlijkheid, die uitdrukt wat je wilt zeggen zoals je het wilt zeggen?

Door veel te schrijven. En door authentiek te schrijven.

Maar hoe schrijf je authentiek?

Tja, hoe bén je authentiek? Door jezelf niets voor te houden en door anderen niets voor te houden.

Een ‘valse’, fake schrijfstem ontstaat volgens mij door effectbejag, te willen scoren door bijvoorbeeld ontzettend intelligent of grappig te willen overkomen. Daar is niets mis mee als je het ook bént, maar als het gewoon een façade is om anderen te imponeren, dan prikken lezers daar al gauw door als door een zeepbel.

Doe gewoon

Hoe schrijf je authentiek? Door gewoon te doen, in mijn optiek. Maak je niet te druk om hoe je overkomt, of je wel serieus genomen zult worden, of je wel clever genoeg zult lijken, of grappig en belezen. Zeg wat je te zeggen hebt, en schrijf het zoals je zou spreken. Ik bedoel niet dat je per se een mondelinge zinsbouw moet hanteren – wie ooit transcripties heeft gemaakt van gesprekken weet hoe incoherent mensen vaak praten – maar wel dat je niet opeens een heel andere toon moet gaan aanslaan omdat je nu toevallig schrijft in plaats van spreekt.

In het ideale geval, vind ik, ‘hoor’ je de schrijver bijna spreken als je zijn zinnen leest. Een goede test is daarom ook je zinnen luidop te lezen. Zo hoor je of er flow in zit, en of het ook iets is dat je werkelijk zou kunnen zéggen, dat je uit je eigen mond zou krijgen. Als dat niet het geval is, laat het dan. Schrijf iets anders, dat dichter tegen jezelf aanleunt.

Schrijf vaak en leer luisteren

Een heel goede manier om je eigen schrijfstem te ontwikkelen is ochtendpagina’s schrijven. Ik heb het daar vroeger al over gehad. Het principe van ochtendpagina’s is dat je drie bladzijden lang gewoon doorschrijft, van het eerste woord boven aan de eerste bladzijde tot het laatste woord onder aan bladzijde drie. Je stopt geen moment, je schrijft wel volzinnen, maar je noteert enkel en alleen wat je ‘hoort’ in je hoofd.

Wat ik daarvan geleerd heb voor mijn dagelijkse schrijfpraktijk (als copywriter en tekstschrijver) is ‘Trust the little voices in your head’. Het gebeurt heel vaak dat ik een bepaald woord ‘hoor’ in mijn hoofd, en dat mijn redenerend verstand daartegen ingaat. ‘Neen, dat kan niet, dat gaat mensen choqueren, of het is geen goed Nederlands, of het is te zwart-wit’. Als ik dan een ‘gepolijst’ alternatief neerschrijf, waarvan ik vermoed dat het niemand tegen de haren in gaat strijken, dan stopt gegarandeerd de schrijfflow. Keer ik terug naar het woord dat ik eerst hoorde, dan keert de flow terug en schrijf ik moeiteloos verder – het exposé ontvouwt zich als het ware vanzelf.

Ready when you are…

Het is een beetje zoals channelen, denk ik. Een vriend van mij die channelt, beschreef het ooit als volgt: ‘The words are just there, patiently waiting, tapping their foot, “Ready when you are”…’

Of je nu in channelen gelooft of niet, ik vind het een heel mooie beschrijving van hoe het schrijfproces in zijn werk gaat – althans voor mij. Ik hoor heel vaak de woorden in mijn hoofd, en meestal heb ik het gevoel dat ik maar moet noteren wat ik hoor, als een soort mentaal dictee. Om dat soort van ‘luisteren’ te ontwikkelen zijn ochtendpagina’s een fantastische praktijk. Ik ken geen enkele andere methode – behalve misschien het frequent schrijven van persoonlijke e-mails – die mij zo diep in contact gebracht heeft met mijn innerlijke stem. En van daaruit volgt de uiterlijke schrijfstem, die daar eigenlijk gewoon een vertolking van is.

Maak er geen gevecht van

Ik ben er diep van overtuigd dat schrijven, authentiek schrijven, geen grote moeite hoeft te kosten. Ik zeg niet dat het altijd vanzelf gaat, en ik ben de eerste om toe te geven dat mijn redactierondes veel langer duren dan de eerste schrijfronde in de flow. Maar ik geloof niet in schrijven als een worsteling.

Als schrijven moeite kost, dan is de kans heel groot dat je er te veel strijd in steekt. Verwachtingen, faalangst, angst voor hoe je tekst zal overkomen. Twijfel of het wel goed genoeg zal zijn.

Schrijf gewoon, schrijf normaal, zoals je ook zou spreken. Houd je tijdens het schrijven niet bezig met hoe je tekst zal gelezen worden. Giet er de woorden uit zoals je ze hoort, of ziet, of hoe ze zich ook aan je voordoen. Redigeren kan altijd achteraf.

Schrijf wat juist is … voor jou

En praat je lezers niet naar de mond. Schrijf niet wat je denkt dat ze willen lezen, zélfs als je in opdracht schrijft. (Maar ik geef toe, dat is nog een ander debat, dat hier te ver zou voeren.) Schrijf in de eerste plaats wat juist aanvoelt terwijl je schrijft. ‘Be yourself; everyone else is already taken’, zoals Oscar Wilde zei. Ook in het schrijven. Al schrijf je met horten en stoten – zo zij het dan. Schrijf zoals je spreekt, zoals je bent.

Een authentieke schrijfstem ontwikkel je door authentiek te zijn terwijl je schrijft, en door te vertrouwen op je eigen stijl, die zich van binnen uit ontwikkelt. En dat gebeurt in de praktijk, door veel te schrijven.


De schaduwlezer op je schouder

zondag 16 oktober 2011

Je kent het wel: je zet je aan het schrijven, voor iets dat straks de wijde wereld in moet (in verschillende gradaties van ‘wijd’ – van een nota die intern moet circuleren tot een folder voor een breed publiek of een website). En opeens zit er iemand over je schouder mee te lezen. Niet echt, maar in je gedachten.

Iemand die je censureert zonder dat je het wilt. Want je weet dat hij of zij gevoelig is voor het thema waarover je schrijft. Je bent bang om een verkeerde indruk te maken of – godbetert – een schadelijk woord te gebruiken, iets dat in slechte aarde zal vallen en de diplomatieke verhoudingen helemaal om zeep zal helpen. Of je kansen op promotie voorgoed zal verknallen.

En opeens blokkeert de woordenstroom. Je durft geen woord meer neer te zetten, uit angst dat het in je gezicht zal ontploffen. Een explosie van kwalijke gevolgen als je toch maar een fractie van een letter in de verkeerde richting zou schrijven. Je hand zit vast, de lezer schrijft mee – schrijft je voor wat wel en niet in de tekst mag. Je zou hem van je schouder willen kegelen, maar hij zit er muurvast op, als een papegaai op een stok. Om gek van te worden.

En anderzijds zijn er de inspiratoren. De mensen aan wie je maar ‘Dag X’ hoeft te schrijven en de woorden rollen eruit, onhoudbaar, niet te stoppen. Ik noem ze mijn muzen, de mannen (meestal) en enkele vrouwen die de woordenstroom in mij ontketenen. Als ik mij tot hen richt, dan krijg ik inzicht in mezelf, want door het aan hen te vertellen zie ik breder, dieper en duidelijker wat ik eigenlijk wil zeggen. Het is alsof ze – gewoon maar door er te zijn, als ontvanger van mijn berichten – de inspiratie in mij naar boven halen.

Heerlijke mensen. Voor mij is het trouwens een goede test voor vriendschappen, een barometer voor intermenselijke verhoudingen: ‘Kan ik naar ze schrijven?’ Of niet? De mensen naar wie ik schrijven kan, écht schrijven, behoren vaak tot mijn inner circle. Ze kennen mij, doordat ik naar hen schrijf. Ik schrijf naar hen omdat ze mij kennen. Het is een positieve vicieuze cirkel, waarvan ik het begin en het einde niet ken. Ooit kwam die mens in mijn leven, en nu schrijf ik naar hem of haar. Ooit schreef ik naar die mens, en toen landde hij of zij in het diepste van mijn leven.

Een tip voor als je vastzit met een tekst waarvan je niet weet hoe die ontvangen zal worden: verander het geweer van schouder. Schrijf niet langer voor de strenge, censurerende lezer die klaarstaat met zijn oordeel, die elk woord kan beschouwen als een bom. Schud hem van je schouder af en schrijf voor een van je muzen. Zelfs als de tekst in de verste verte niet voor hem of haar is bestemd.

Door in te tunen op iemand die de schrijfstroom in je wakker maakt – door je voor te stellen dat hij of zij je tekst zal lezen – zal je milder schrijven, losser, onbevangener. Zelfs als je muze je tekst nooit onder ogen zal krijgen, zal de verbinding die je met hem of haar hebt iets van zachtheid in je tekst brengen, een flow die andere lezers meevoert. Niemand hoeft te weten aan wie je de tekst in gedachten hebt geschreven, maar iedereen zal meegenieten van de flow van inspiratie.


Is goede spelling belangrijk?

zondag 2 oktober 2011

Ja en neen.
Het is het einde van de wereld niet als je een spelfout maakt. We zijn alleen zo opgevoed, met het idee dat het een intergalactische ramp is als je een d schrijft waar een t hoort te staan, of een ei waar een ij moet.

Heeft dit belang? In het licht van de eeuwigheid natuurlijk niet. Op je sterfbed ga je niet verzuchten: ‘Ik wou dat ik een betere speller was geweest tijdens mijn levensdagen.’ Neen, je kijkt terug op wat er echt toe deed: de liefde, het leven, je inzichten, je ervaringen, je geluksmomenten, passie, wijsheid, vergeving, enzovoort.

Doet spelling er dan niet toe? Toch wel, maar ik wil vooral de bottomline meegeven dat het een conventie is.

Spelling is geen zaak van harde wetten, van lijfstraffen in geval van overtreding. Het is een zaak van afspraken, om de verstaanbaarheid tussen taalgebruikers in eenzelfde taalgebied te vergemakkelijken. Als ik West-Vlaams schreef, zou de helft (of meer) van mijn lezers snel afhaken. Als ik men text zou doorspeken met zpelfauwten dan sou het iedz moejleker gaan om ales flot te leezen.

Maar bekijk een Nederlandse tekst van honderd jaar geleden en je begrijpt meteen dat spelling relatief is. De visch werd vis, zoo werd zo, en den hond die men toen zag, werd gewoon de hond. Taal evolueert, onvermijdelijk, en de spelling evolueert mee.

Is de Nederlandse spelling makkelijk? Neen. Is ze logisch? Absoluut niet. Ik heb in mijn leven al een stuk of drie spellinghervormingen meegemaakt, en ook ik zucht iedere keer als er nog maar eens regels herzien worden. Regels waarmee we vroeger, als kind of student, om de oren geslagen werden als met de hand Gods.

Waarom is spelling dan belangrijk?

  • Omdat een correct geschreven tekst makkelijker leest, want hij volgt de conventies die we gewoon zijn. Niets leidt ons af op het oppervlakteniveau, de tekst gaat vlot binnen omdat hij ons verwachtingspatroon volgt. Een spelfout leidt af en verstoort de concentratie voor wie erop let.
  • Omdat je er een goede indruk mee maakt. Draai of keer het zoals je wilt: voor velen oogt een tekst met spelfouten slordig, onprofessioneel en – ik durf het bijna niet te zeggen – iets minder intelligent dan een zonder spelfouten.
  • Is dat een gegronde indruk? Soms niet. Ik ken mensen die bijzonder intelligent zijn, maar die dyslectisch zijn (woordblind) en daardoor geen zin correct kunnen schrijven. Maar soms heeft het ook te maken met onzorgvuldigheid. Gehaastheid om een tekst de wereld in te jagen, zonder nalezen. En soms, tja, soms heeft het ook te maken met een gebrek aan aanleg of interesse voor taal en spelling bij de schrijver in kwestie.

    Is dat erg?
    Neen, want zelfs met spelfouten is een tekst hoogstwaarschijnlijk verstaanbaar.
    Ja, want in contexten waar men zwaar tilt aan spelfouten (sollicitatiebrieven, publicaties, officiële documenten,…) gaat je imago snel onderuit als er een paar missers in je spelling zitten.

    Moraal van het verhaal? Spelling is onbelangrijk in het licht van de eeuwigheid en de Grote Vragen zoals de zin van het leven, de liefde en de dood. Spelling is belangrijk in de context van ons ondermaanse bestaan, waar je maar al te vaak wordt afgerekend op kleine fouten.

    Oplossingen? Gebruik de spellingchecker. Gebruik het Groene Boekje of Van Dale Online en doe de moeite om woorden op te zoeken waarvan je twijfelt aan de spelling. Lees je teksten na vooraleer je ze verzendt of publiceert. Lees ze na op papier, want dan zie je veel meer details dan op scherm. Of laat je teksten nalezen door iemand anders.

    Maar bovenal: relax, en zie spelling in haar juiste – relatieve – context. Een spelfout is geen karakterfout. Van spelling hangen zelden levens af. Ze kunnen wel je professionele imago schaden. Afhankelijk van hoe zwaar je daaraan tilt en in welke beroepscontext je werkt, is spelling meer of minder belangrijk.


    Ochtendpagina’s

    maandag 26 juli 2010

    Geen inspiratie? Zit je uren op het witte blad te turen? Verveeld met je vingers te draaien terwijl je wikt en weegt welk woord je als eerste op het scherm zou kegelen? Om er dan met een mengeling van walging en verwondering naar te kijken, er een duwtje aan te geven met je cursor, als met een houten stokje, om te zien of het beweegt. Als schrijven gruwelen is, afzien en sterven, dan moet je misschien maar eens ontspannen errond.

    Misschien is je schrijfkanaal gewoon verstopt door te veel censuur, innerlijke controle en kwaliteitsbewaking.

    Ochtendpagina’s – een techniek van de Amerikaanse schrijfster Julia Cameron – zijn een prima manier om de schrijfstroom weer aan het vloeien te krijgen. Lees er meer over in dit webdossier.


    Onder meer

    zaterdag 19 juni 2010

    ‘Onder meer’ wordt in twee woorden geschreven. Ik zie het wel eens aan elkaar geschreven, als ‘ondermeer’, maar dat is niet juist. Je schrijft het van elkaar, net zoals ‘onder andere’. Zonder meer.