Het word te gordtig. Help, de dt-regel!

De dt-regel is een bron van controverse. Mensen die hem kennen en correct toepassen, voelen zich vaak superieur als ze dt-fouten onder de ogen krijgen. Ze verwijten de schandaleuze overtreder van deze allerheiligste der heilige spellingregels van alles en nog wat, voornamelijk luiheid en gebrek aan respect voor de lezer. Terwijl het vaak over een gebrek aan grammaticaal inzicht gaat, of het simpele feit dat de regel er gewoon niet in wil, of geen hout snijdt voor de taalgebruiker in kwestie.

Om de dt-overtreder maar meteen gerust te stellen: je getuigt niet van morele zwakte of criminaliteit als je weleens zondigt tegen deze basisregel van de Nederlandse taal. Je zult er wel veel mensen mee op de zenuwen werken, zoals je ongetwijfeld al hebt ondervonden. Daarom, in het belang van de wereldvrede in het Nederlandse taalgebied, een korte opfrissing van de regel en al wat daarrond hangt aan emotionele ballast.

1. Waarom is de dt-regel zo onlogisch?

Dat vraagt de dt-overtreder zich af. Nochtans is hij de logica zelve, vinden de dt-kenners onder ons. Maar de verwarring ligt bij duo’s zoals

  • je wordt – word je, je vindt – vind je
  • je betaalt – je hebt betaald, het gebeurt – het is gebeurd

  • Het eerste soort probleem stelt zich bij werkwoorden waarvan de stam eindigt op -d, zoals word-en, vind-en, houd-en …
    Bij het tweede soort probleem gaat het om verwarring tussen verschillende werkwoordsvormen die regelmatig voorkomen en waarvan je soms uit gemak of haast naar de meest voorkomende grijpt.

    Een paar vuistregels:

  • In de gewone zinsvolgorde, waarbij het onderwerp vóór het werkwoord komt, is er maar één werkwoordsvorm die kan eindigen op -d: de 1ste persoon enkelvoud van werkwoorden met een stam op -d. Ik word, ik vind, ik beland, ik houd … Vroeger op school werd dat uitgelegd met het ezelsbruggetje ‘Ik drink nooit t(hee)’.
    De 2de en 3de persoon enkelvoud krijgen in de gewone zinsvolgorde altijd een t: jij wordt, hij vindt, je belandt, zij houdt…
    Om dat te onthouden hoef je alleen maar aan een ander werkwoord te denken waarvan de stam niet op een -d eindigt. Bijvoorbeeld:
    ik krijg, ik zwem, ik val
    jij kapt, je leest, jij komt
    hij zoekt, zij heeft, het regent
  • Een 2de of 3de persoon enkelvoud die eindigt op -d is in deze woordvolgorde onmogelijk. Dat is de werkwoordsstam zonder -t, dus het equivalent van ‘jij kap’, ‘hij zoek’, ‘het regen’. Niet doen dus.

  • In een omgekeerde zinsvolgorde komt het werkwoord vóór het onderwerp. In technische termen wordt dit ‘inversie’ genoemd. En daar liggen de wolfsklemmen en schietgeweren.
    In deze zinsvolgorde valt de -t in de 2de persoon enkelvoud weg. Drink jij thee? Neen. Word je dan niet dorstig? Ook niet.
    De 1ste persoon heeft ook hier geen -t, dus ook bij inversie drink ik nooit thee. En vind ik altijd de juiste spelling van mijn werkwoorden.
    In de 3de persoon enkelvoud blijft de -t staan. Drinkt hij thee, dan is het groene. Houdt hij van iemand, dan is het met huid en haar.
    Ook hier weer kun je vergelijken met een ander werkwoord waarvan de stam niet op -d eindigt:
    krijg ik, zwem ik, val ik
    kap je, lees jij, kom je
    zoekt hij, heeft zij, regent het
  • Of je kunt natuurlijk telkens het zinnetje met ‘thee drinken’ gebruiken. Altijd raak: drink ik thee, drink jij thee, drinkt hij thee -> word ik, word jij, wordt hij.

    2. Hoe zit het met u?
    Werkwoorden met een onderwerp in de beleefdheidsvorm ‘u’ hebben dezelfde vervoeging als de 3de persoon enkelvoud (hij/zij/het). U drinkt thee, drinkt u thee? -> U wordt bang, houdt u van mij? In tegenstelling tot bij de ‘je’-vorm valt de -t hier dus niet weg bij inversie.

    3. Wie heeft dat bedrag betaald? Het gebeurt automatisch
    Werkwoorden als betalen en gebeuren hebben helemaal geen stam die eindigt op -d, en toch worden ook hier vaak dt-fouten tegen gemaakt. *’U betaald bij aankomst’, *’Het gebeurd nooit’. De reden hiervoor heet met een moeilijk woord ‘homofoondominantie‘. Simpel gezegd: als twee woordvormen hetzelfde klinken (dus homofonen zijn), zoals gebeurt en gebeurd, schrijven we de vorm die we het meeste zien. Tenminste, als we niet de tijd nemen om bewust over de regel na te denken.

    De vorm met -d is bij dit soort werkwoorden voorbehouden voor het voltooid deelwoord. Om te weten of je het voltooid deelwoord van een bepaald werkwoord met een -d of een -t schrijft, bestaat er ook weer een ezelsbruggetje: denk aan de verleden tijd van het werkwoord. Als die eindigt op -de, eindigt het voltooid deelwoord op -d. Eindigt de verleden tijd op -te, dan eindigt het voltooid deelwoord op -t.
    Het gebeurde -> het is gebeurd; hij vertraagde -> hij is vertraagd; zij verwende -> zij is verwend.
    Hij hakte -> de tak is afgehakt; zij schopte -> ze werd geschopt; hij wenste -> hij heeft gewenst.
    Nog eens ten overvloede: in de tegenwoordige tijd kan een 2de of 3de persoon enkelvoud in de gewone woordvolgorde nooit eindigen op een -d. Dus: het gebeurt, hij vertraagt, zij verwent.

    4. ’t Kofschip
    Ja, maar hoe wéét je nu of de verleden tijd van een werkwoord eindigt op -de of -te? Daarvoor gaan we aan boord van ’t kofschip. Dat is alweer een trucje om je door de woeste baren van de spellingsoceaan te loodsen.
    Als de stam van een regelmatig werkwoord in de uitspraak eindigt op een van de medeklinkers uit ’t kofschip – t, k, f, s, ch, p of [sj] – dan eindigt de verleden tijd op -te. En het voltooid deelwoord dus op -t. Eindigt de stam van het werkwoord op een andere medeklinker, dan wordt de verleden tijd -de en het voltooid deelwoord -d. Zo weet je dus het verschil tussen schopte en schrobde.

    Om het allemaal niet te gemakkelijk te maken en omdat taal zo ontzettend logisch is, zijn er ook een paar instinkers. Bij sommige werkwoorden verandert v of z in de tegenwoordige tijd in f of s, bv. leven – hij leeft; grazen – de koe graast. In die gevallen kijk je voor de verleden tijd naar de infinitief zonder -en: lev-, graz- -> de laatste medeklinker is geen bemanningslid van ’t kofschip, dus de verleden tijd eindigt op -de en het voltooid deelwoord op -d: hij leefde, hij heeft geleefd; de koe graasde, ze heeft gegraasd. Het voordeel is dat je dit soort werkwoordsvormen regelmatig hoort en leest, dus als je ze hardop uitspreekt, weet je vanzelf dat het niet is ‘leefte’ of ‘graaste’, en je visuele geheugen zal je normaal gezien ook signaleren dat dit geen gangbare werkwoordsvorm is. Deze regel ziet er dus ingewikkelder uit dan hij in werkelijkheid is.

    5. Kan die dt-regel niet afgeschaft worden?
    In your dreams. Misschien komt het er vroeg of laat wel van, want taal evolueert, maar voor overmorgen zal dat nog niet zijn. Je leert dus maar beter de regel correct toe te passen als je niet om de haverklap commentaar wilt krijgen op je spelling. Maar niet getreur-, fouten maken gebeur- in de beste families. En toch: voor je het weet, wor- je een kei van een speller. Gegarandeer-!



    [Voor wie een spiekbriefje nodig heeft: d / t / d / d]

    We moeten het even over de komma hebben

    De komma, die kleine pruts. Wat heeft hij toch misdaan dat hij zo vaak mismeesterd wordt? Hij staat waar hij niet moet staan, hij wordt vergeten waar hij wel hoort te staan … Tijd voor een kleine opfrissing van de regels voor correct kommagebruik. Toch die waartegen ik het meest zie zondigen.

    De regels van de kunst

    Bij het Genootschap Onze Taal vind je de belangrijkste algemene richtlijnen voor het gebruik van de komma. Bij Taaladvies en de Taaltelefoon moet je gericht zoeken per subthema, maar ook dit zijn handige startpagina’s. Sowieso is een goede vuistregel: als je twijfelt, zoek het op. Luiheid is het oorkussen van de spellingduivel. En in de spellinghel wil je niet terechtkomen, want daar wacht je eeuwige verdoemenis op sociale media en professioneel imagoverlies.

    Misdaden tegen de komma

    1. Ik heb het over jou, komma

    Bij een aanspreking hoort een komma beste lezer. Wat ontbreekt hier? Juist, de komma voor ‘beste lezer’. Of zoals het in het Engels gezegd wordt: ‘Let’s eat grandma.’ – ‘Let’s eat, grandma.’ -> Punctuation can save lives.

    2. Het mooie, antieke zilveren bestek van oma

    Tussen gelijkwaardige (nevengeschikte) bijvoeglijke naamwoorden komt een komma. Met andere woorden: als de bijvoeglijke naamwoorden onderling inwisselbaar zijn van plaats.

    Soms is er een vaste volgorde tussen twee bijvoeglijke naamwoorden omdat één ervan een nauwere verbinding heeft met het zelfstandig naamwoord dan het andere. In zo’n geval kun je ze niet van plaats verwisselen en zet je er geen komma tussen. Je kunt bijvoorbeeld moeilijk spreken van het ‘zilveren, antieke, mooie bestek’ van oma. ‘Zilveren’ (het onveranderlijke materiaal waaruit het bestaat) hoort op een vastere manier bij ‘bestek’ dan ‘antiek’ (wat het nog niet was toen het pas werd gemaakt) en ‘mooi’ (een subjectieve beoordeling, want iemand anders vindt het misschien lelijk). Daarom staat het ook dichter bij het zelfstandig naamwoord en staat er geen komma voor, omdat het niet gelijkwaardig is met ‘antieke’.

    Voor een deel is dit een kwestie van aanvoelen, voor een deel ook van logica. Het vereist een beetje fingerspitzengefühl, maar als algemene regel kun je stellen: als de bijvoeglijke naamwoorden zonder verschil in betekenis van plaats kunnen veranderen, dan zet je er een komma tussen.

    3. What happens in Oxford stays in Oxford

    En nu we het over opsommingen hebben: ik zie de zogenaamde Oxford comma tegenwoordig weleens opduiken in Nederlandse teksten. In het Engelse taalgebied heersen vaak verwoede discussies over dit type komma, dat op het einde van opsommingen wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld: ‘I had fish, chips, and a salad for lunch.’ Voorstanders van de Oxford comma halen allerlei argumenten boven om te staven dat een zin als deze hélemaal misbegrepen kan worden als die laatste komma er niet staat. Als je het mij vraagt: ik vind het meestal onzin.

    In het Nederlands is zo’n komma voor het laatste deel van een opsomming niet gangbaar en in 99% van de gevallen volstrekt niet nodig. Heel soms, als er inderdaad een risico is op dubbelzinnigheid en je daarom duidelijk wilt aangeven welke woorden wel en niet samenhoren, kan zo’n komma gepast zijn. Een voorbeeld: ‘De tentoonstelling bevat schilderijen op hout en doek, en sculpturen uit klei.’

    4. Niet elk werkwoord is een persoonsvorm

    Velen herinneren zich een regel die er bij hen werd ingedrild op school: ‘Zet een komma tussen twee werkwoorden.’ Ze interpreteren dit als ‘àlle werkwoorden, ongeacht hun rang of stand’. Maar de werkelijkheid is iets genuanceerder dan dat. Het gaat om een komma tussen twee persoonsvormen.

    Een persoonsvorm is een vervoegd werkwoord, dat in persoon en getal overeenkomt met het onderwerp in een zin. Bv. ‘Hij komt vandaag’: ‘komt’ is in deze zin de persoonsvorm. Wanneer twee persoonsvormen in een zin naast elkaar staan, voeg je een komma in. Alleen in heel korte zinnen kun je die komma soms weglaten. Bv. ‘Al wat je zegt ben je zelf.’

    Een fout die ik heel vaak zie, is dat er een komma wordt geplaatst tussen een infinitief (onbepaalde wijs) en een persoonsvorm.
    Bv. ‘Van thuis uit werken, kan een negatieve impact hebben op je focus.’ Hier hoort geen komma, omdat enkel ‘kan’ een vervoegd werkwoord is. ‘Werken’ is in deze zin een infinitief.
    Correct is: ‘Van thuis uit werken kan een negatieve impact hebben op je focus.’

    5. Haar minnaar(,) die in Parijs woont

    Hier komen we op het nobele & edele terrein van de subtielere grammatica. En de uitstervende kunst van het weten waar je wel of niet een komma tussen bijvoeglijke bijzinnen moet zetten. Want niet alle dergelijke bijzinnen zijn gelijk. Er bestaan namelijk uitbreidende en beperkende bijvoeglijke bijzinnen.

    Heel kort de theorie:

  • Een uitbreidende bijvoeglijke bijzin geeft extra informatie bij de hoofdzin, maar is niet noodzakelijk om de hoofdzin correct te begrijpen. De hoofdzin kan dus perfect op zichzelf staan als de bijzin wordt weggelaten. Voor een uitbreidende bijvoeglijke bijzin komt een komma.

    Bv. ‘Colin Firth, die knapper wordt met de jaren, is momenteel weer in heel wat films te zien.’ De bijzin geeft extra info, die niet noodzakelijk is om de hoofdzin te begrijpen.

    Soms is die extra info meer relevant, maar dat wil nog altijd niet zeggen dat er een komma moet sneuvelen.
    Bv. ‘Liza’s minnaar, die in Parijs woont, kwam voor haar verjaardag speciaal overgevlogen.’ Uit deze zin leid je af dat Liza één minnaar heeft. Het feit dat hij in Parijs woont, is bijkomende informatie die weliswaar nuttig is, maar niet essentieel om de hoofdzin correct te begrijpen. Laat je de komma voor de bijzin weg (‘Liza’s minnaar die in Parijs woont’), dan impliceer je dat Liza meer dan één minnaar heeft, waaronder minstens één die in een andere stad woont.

  • Een beperkende bijvoeglijke bijzin specificeert de informatie uit de hoofdzin. Met andere woorden: je versmalt de mogelijke interpretaties van de hoofdzin tot één optie, die essentieel is om de hoofdzin correct te begrijpen. Voor een beperkende bijvoeglijke bijzin komt geen komma.

    Bv. ‘Liza’s minnaar die in Parijs woont, heeft geen weet van zijn rivaal in Berlijn.’ Van alle minnaars van Liza wordt de focus hier versmald tot die ene die in Parijs woont.

  • Een simpel ezelsbruggetje:

  • ‘uitbreidend’ = meer (info & komma’s) -> komma voor de bijzin.
  • ‘beperkend’ = minder (interpretatiemogelijkheden & komma’s) -> geen komma voor de bijzin.
  • 6. De puntkomma is niét dood

    In tegenstelling tot de geruchten is de puntkomma nog levend en wel. Of hij geliefd is, dat is een andere vraag. De meeste hedendaagse taalgebruikers lopen er met een grote boog omheen; een komma is zoveel gemakkelijker. Maar een puntkomma biedt net iets meer nuance dan een komma of een punt, als het over het verband tussen zinnen gaat. Een puntkomma heeft iets van slaan en zalven: hij verbindt zinnen die te nauw samenhangen om ze volledig van elkaar te scheiden met een punt, maar creëert meer afstand dan een komma doet.

    In hedendaagse teksten zie ik steeds vaker een komma staan waar er volgens de regels van de kunst eigenlijk een puntkomma zou horen. Of een dubbelepunt. Je weet wel wat ik bedoel, de zinnen volgen elkaar op, er hoeft niet echt een visueel onderscheid te worden gemaakt volgens de schrijver, de lezer snapt het wel. Tja.

    Zal iemand je hiervoor doodslaan? Natuurlijk niet. Mag het verkocht worden als een stilistische keuze? Dat is mogelijk, als het dat werkelijk is. Als het erom gaat je onzekerheid te verbergen omdat je niet goed weet welk leesteken er nu eigenlijk moet staan, dan is de komma hier een zwaktebod. De puntkomma heeft werkelijk zijn waarde; het is wellicht voor velen een acquired taste, maar het is een leesteken dat een heel specifieke functie heeft. Gebruik het dus gerust als het van pas komt.

    De puntkomma heeft de afgelopen jaren trouwens een emotionele en maatschappelijke symboolwaarde gekregen via het Project Semicolon. Het teken ; staat voor het bespreekbaar maken van geestelijke gezondheid en suïcidepreventie. Mensen laten een puntkomma op hun pols of elders op hun lichaam tatoeëren om te laten zien dat ze ervoor gekozen hebben geen punt te zetten achter hun leven, maar na een moeilijke pauze hun zin te laten doorlopen. Een mooi en hoopgevend symbool, dat vanuit een heel andere hoek een verfrissend licht kan laten schijnen op de soms verguisde puntkomma.

    Graag gelezen: H is for Hawk – Helen Macdonald

    O, wat een prachtig boek is dit.
    In H is for Hawk (De H is van havik) beschrijft Helen Macdonald hoe ze na de plotse dood van haar vader een havik koopt om die af te richten. Het is voor haar een manier om met haar rouwproces om te gaan, waardoor ze haar focus weer naar buiten kan richten, naar iets anders dan al haar rauwe, donkere emoties.

    Het boek is autobiografische non-fictie, maar wel op een heel literaire manier geschreven. Dit is echt een boek voor potloodlezers. Mijn exemplaar staat volgestreept. Een citaat om de leeslust op te wekken: ‘Looking for goshawks is like looking for grace: it comes, but not often, and you don’t get to say when or how.

    Wat er zo mooi aan is, is onder andere de manier waarop Macdonald de havik beschrijft en observeert. Daar spreekt zoveel liefde voor het dier uit. Ervaring ook, want ze had al eerder roofvogels afgericht. De manier waarop ze stap voor stap het temmen en africhten beschrijft, is ongelooflijk fascinerend. Je ziet echt een partnerschap in wording. De manier waarop ze de kleurnuances in de veren van de vogel beschrijft, of haar stemmingen afleest uit haar ogen en haar gedrag … Gewoon prachtig.

    In schril contrast daarmee staat een andere verhaallijn: die over Terence Hanbury White (beter bekend als T.H. White, auteur van The Once and Future King / Arthur, koning voor eens en altijd, in het Nederlands alleen nog tweedehands te verkrijgen). White publiceerde in 1951 het boek The Goshawk (de Nederlandse vertaling De havik verschijnt eerstdaags). Daarin beschreef hij zijn eigen pogingen om een havik te temmen. White had geen eerdere ervaring met roofvogels, enkel een aantal oude handboeken over valkerij waarop hij zich baseerde, en zijn pogingen verliepen blijkbaar nogal desastreus en wreed. Voor mij was dit een ontnuchterend – maar niettemin fascinerend – deel van het boek, want The Once and Future King is een van mijn lievelingsboeken, dus het was voor een groot deel een ontmythologisering van White als persoon. (Het toeval wil dat ik nog een oude editie van het boek heb, die nu niet meer te krijgen is, met op de cover Arthur die een havik laat opvliegen van op zijn vuist.) Macdonald kadert Whites geschiedenis breder dan enkel het boek The Goshawk – ze put ook uit zijn dagboeken en andere boeken van hem.

    Het contrast tussen Macdonald en White, elk in de weer met hun eigen havik, kan niet groter zijn. Soms vroeg ik mij af of het gedeelte over White niet te veel gewicht kreeg, maar enerzijds laat die verhaallijn juist duidelijker de diepte zien van de band die ontstaat tussen Helen Macdonald en haar havik Mabel, iets wat je anders misschien als vanzelfsprekend zou beschouwen. Anderzijds zit er ook wel een grote portie mededogen in haar beschrijving van White, al waren er ook veel momenten waarop ik dacht: ‘Wat een vreselijke man. Hoe kán hij!’ Maar dat is het net: ze beschrijft hoe hij kan doen wat hij doet, omdat ze zijn persoonlijkheid analyseert (in psychoanalytische zin) en duidt hoe hij komt tot wat hij doet. Het gaf mij in elk geval veel zin om The Once and Future King te herlezen. Wie dit boek ooit gelezen heeft, zal de passage waarin Kay en de Wart het bos in gaan met de havik Cully nooit meer kunnen lezen zonder er het verhaal van White met zijn havik Gos in te zien.

    De derde rode draad in het boek is Macdonalds rouwverwerking rond haar vader, haar herinneringen aan hem, en hoe ze langzamerhand uit de diepe put van rouw klimt en meer vrede vindt rond zijn afwezigheid.

    Een heel grote aanrader, dit boek. Ik had niet verwacht dat ik het zo goed zou vinden, want vond het een raar uitgangspunt voor een boek, maar het was een heerlijke revelatie. Zelden zo meegesleept geweest door non-fictie.

    De hang naar kapitalen

    Ik ben het de laatste tijd een paar keer tegengekomen in mijn redactiepraktijk: Nederlandse titels die met hoofdletters worden geschreven waar dat niet hoeft, en volgens de Nederlandse spellingregels eigenlijk ook niet hoort. Een paar fictieve voorbeelden: ‘De Hang Naar Kapitaal’, ‘Mijn Leven Met Twee Katten’, ‘Te Voet Naar Parijs’. Volgens de Nederlandse spelling moet dat respectievelijk zijn: ‘De hang naar kapitaal’, ‘Mijn leven met twee katten’, ‘Te voet naar Parijs’.

    Waarom beginnen mensen opeens titels vol hoofdletters te schrijven in het Nederlands? Een verklaring ligt voor de hand: de meesten van ons lezen veel Engels (op het internet en elders), en in het Engels worden de belangrijkste woorden in een titel met hoofdletters geschreven. Een paar bestaande voorbeelden: ‘Game of Thrones’, ‘Far from the Madding Crowd’, ‘The Englishman Who Went Up a Hill But Came Down a Mountain’. Als je dat gebruik aldoor rond je ziet in het Engels, kun je op den duur beginnen twijfelen of je dat ook niet in het Nederlands zo moet doen.

    Niet dus. In het Nederlands zijn we tamelijk zuinig met hoofdletters. Ook als het gaat om eretitels en functiebenamingen moet iemand al van erg hoge komaf zijn om een hoofdletter te verdienen. We schrijven over koning Filip, paus Franciscus, de minister van Onderwijs, de algemeen directeur van een onderneming … Meer daarover volgt nog wel eens in een aparte blogpost, maar het punt is: in het Nederlands strooien we niet zo snel met kapitalen.

    Terug naar de titels. Tenzij je Gerard Reve of Winnie de Poeh heet en graag Belangrijke Woorden een Hoofdletter meegeeft om er wat Extra Gewicht of een Ironische Lading aan te geven, volstaat het om het eerste woord van een titel met een hoofdletter te schrijven. Behalve uiteraard als er in de titel nog een eigennaam, plaatsnaam, merknaam … voorkomt. Die krijgt dan net als in lopende tekst ook een hoofdletter. Bijvoorbeeld: ‘Haar naam was Sarah’, ‘Nachttrein naar Lissabon’, ‘Apple of Windows? De keuze is aan u’. Een enkele keer kan het wel gepast zijn om een woord met een hoofdletter te schrijven om het een extra lading mee te geven, bv. ‘Het grote Niets’, maar ik zou er toch spaarzaam mee zijn.

    Wat doe je dan met Engelse titels in een Nederlandse tekst? Schrijf je ‘Ik ben gisteren naar Far from the Madding Crowd gaan kijken’ (de Engelse conventie) of ‘Ik vond Matthias Schoenaerts geweldig in Far from the madding crowd‘ (de Nederlandse conventie)? Taaladvies stelt dat beide kunnen, maar geeft de voorkeur aan de Nederlandse conventie. Ik geef toe dat ik zelf doorgaans de Engelse conventie volg, maar dat zal de anglist in mij zijn. Ook redacteuren hebben soms hun persoonlijke voorkeuren …

    In elk geval raadt ook Taaladvies af de Engelse conventie door te trekken in Nederlandse titels en daar alle woorden met een hoofdletter te schrijven. Niet doen dus.

    Tot slot. Gewoontes zijn hardnekkig, en de menselijke geest is zwak. Als je toch de onbedwingbare neiging zou hebben om een Nederlandse titel vol kapitalen te stoppen, dan kan ik de shocktherapie van dr. Switzer aanbevelen.

    2014: woord vooraf

    Het nieuwe jaar is alweer daar. Voor 2014 geef ik een paar dingen ter overweging mee die met schrijven en woorden te maken hebben.

    1. Schrijf als je iets te vertellen hebt.

    2. ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’ (Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico-philosophicus)

    3. Houd het Engelse acroniem ‘THINK’ in gedachten als je iets schrijft:

    – Is it True?
    – Is it Helpful?
    – Is it Inspiring?
    – Is it Necessary?
    – Is it Kind?

    4. ‘Be kind whenever possible. It is always possible.’ (Dalai Lama)

    5. ‘Wees onberispelijk in je woorden.’ (Don Miguel Ruiz, De vier inzichten)

    6. ‘Uw ja moet ja zijn en uw neen, neen.’ (Matteüs 5:37)

    7. ‘Orden bära icke bojor, sade han. Orden, dem hava stormvindens kraft.’ (Torgny Lindgren, Merabs skönhet)

    (Woorden dragen geen ketenen, zei hij. Woorden hebben de kracht van een stormwind.)

    Mijn wens voor 2014: ga bewust met je woorden om.

    Dit gezegd zijnde wens ik je een heel mooi jaar toe.

    Schrijven in tijdsblokken


    Een tijd geleden postte iemand op mijn Facebookpagina een link naar een verhaal over een beroemde copywriter, Eugene Schwartz, die een simpel maar doeltreffend systeem had om te werken: hij zette elke dag zijn wekker zes keer op 33’33” en verplichtte zichzelf om gedurende die tijd op zijn stoel te blijven zitten en niets anders te doen dan bezig te zijn met de opdracht die voor hem lag. Zes korte tijdsblokken van gefocust werk. ‘Iets voor jou?’ vroeg degene die het bericht gepost had.

    Ik besloot het uit te proberen en constateerde: inderdaad iets voor mij. Ik verlengde de tijdsblokken wel tot 40 minuten, omdat dat iets eenvoudiger rekent en omdat 33 minuten net te kort bleek – zodra ik goed op dreef was, moest ik weer stoppen. 40 minuten bleek beter aan te sluiten bij mijn natuurlijke intellectuele spanningsboog.

    Maar wat een geweldig principe! Ik constateerde heel snel dat mijn focus sterker werd. Meer zelfs: tussen twee ‘shifts’ in was ik minder afgeleid, minder geneigd om op Facebook te gaan kijken of e-mails te gaan lezen. Ik dwong mezelf om tussen twee schrijf- of redactierondes op te staan, wat rond te wandelen en bewust even mijn gedachten los te maken van mijn werk. Maar ik merkte algauw dat ik zelfs in die pauzes erop gebrand was weer verder te werken, omdat ik zo gefocust was in die korte maar gerichte tijdspannes. Elk tijdsblok leverde resultaat op, en op dat resultaat wilde ik verder bouwen.

    Aan de weg timmeren

    Ik merkte nog een ander voordeel op, namelijk dat er niet langer zoiets als een ‘moeilijke’ opdracht bestond. Alles werd behapbaar in tijdsblokken van maximum 40 minuten. In die tijd hoefde ik geen bergen te verzetten, geen verpletterend proza te schrijven, geen glasheldere argumenten neer te zetten waar niemand meer iets tegenin kon brengen. Neen, in die 40 minuten moest ik gewoon verder timmeren aan de weg.

    40 minuten is voldoende tijd om een paar paragrafen te schrijven. En een paar paragrafen zijn genoeg om het gevoel te hebben dat je iets substantieels hebt gedaan, iets constructiefs wat de moeite is om op verder te werken. 40 minuten kunnen lang zijn als je even zonder inspiratie zit, maar niet zo lang dat je het gevoel hebt in een gevangenis van tijd te zijn opgesloten. 40 minuten zijn doenbaar, overbrugbaar. Je hoeft je natuurlijke neiging tot afleiding niet voor altijd opzij te zetten, maar gewoon voor even. Voor je het weet zit je in een drive en gaat de wekker. En vloek je binnensmonds omdat je net zo goed op dreef was.

    Maar dan is het de kunst om weer op te staan en van je werk weg te lopen. Want de ‘gedwongen’ pauzes dwingen je om je mentale batterijen weer op te laden. Als je schrijft tot je mentaal leeg bent, duurt het veel langer om je hersenen weer op te laden. Je bent vermoeider, je hebt veel langer nodig om weer tot werken in staat te zijn. Als je stopt voor je echt moe bent, recupereer je veel makkelijker en vind je je mentale balans sneller terug.

    Werken is voor mij veel prettiger geworden op deze manier. Als ik schrijf of redigeer, ben ik gefocust. Als ik ontspan, zet ik zonder schuldgevoel mijn werk van mij af. Omdat ik weet dat ik straks weer herbegin voor een hanteerbare tijdsperiode. Niet voor uren aan een stuk, maar voor 40 minuten per keer.

    Wel bepaal ik voor mijzelf een minimum aantal tijdsblokken dat ik per dag wil halen. Maar ook een maximum. En zo wordt werken – zelfs aan ‘moeilijke’ opdrachten – een heel stuk makkelijker. En aangenamer vooral. Werk en rust in balans.

    Bedankt, Eugene Schwartz, voor zo’n geniaal eenvoudig principe. En vooral ook bedankt, Kenny Vermeulen, om mij hierop attent te maken.

    Voor wie het zelf wil uitproberen: kies een tijdsduur die comfortabel aanvoelt voor jou, experimenteer met het aantal tijdsblokken dat je zo per dag wilt werken, en vind het juiste evenwicht. Veel plezier en productiviteit gewenst!

    P.S. Deze blogpost is geschreven in twee tijdsblokken: een voor de ruwe tekst, een voor redactie en het kiezen van beeldmateriaal.

    Graag gelezen: Het diner – Herman Koch

    Het diner lag al een tijdje op mijn tafel te wachten om gelezen te worden. Te chambreren, zeg maar, tot ik tijd zou hebben om mij weer eens in een roman te verdiepen. Eindelijk kwam die tijd, ik verdiepte mij erin en las hem in een paar avonden uit. Heerlijk pageturnen.

    Veel ga ik er niet over zeggen, over de inhoud, want zelf haat ik het ook altijd om spoilers te lezen waarin de halve plot te grabbel wordt gegooid. Laten we het hierop houden: twee echtparen gaan uit eten in een chic restaurant. Ze praten over van alles en nog wat, behalve waar ze het eigenlijk over zouden moeten hebben.

    Aanvankelijk is het leuk: een denigrerend toontje, sarcastische observaties, spitsvondigheden, best wel aardig. Na een pagina of tachtig dacht ik: ‘Nah, dit hebben we wel gehad. Ik heb het techniekje nu wel door. Leuke stijl, maar toch vooral een stijltje. Beetje maniëristisch – komt er nog wat?’ Als een diner waarbij je toch wat op je honger blijft zitten.

    Maar dan draait het verhaal zich langzamerhand binnenstebuiten – het ontvouwt zich vanuit zijn donkere krochten, die eerst nog onzichtbaar zijn. Het wordt stapsgewijs opgebouwd, als een toren van dominosteentjes die een voor een tegen elkaar aan worden gezet. Elk detail krijgt betekenis in retrospectie, en stuk voor stuk worden de blinde vlekken ingevuld. En dan wordt ook het belang van dat stijltje duidelijk.

    Hoe het verhaal en de personages in elkaar zitten, dat ga ik hier echt niet vertellen, of alle leesplezier is eraf. Maar laten we het hierop houden: het is smullen eens het geheel zich ontvouwt. Of toch niet echt – eerder een bittere smaak in de mond, dan weer een grimas, waarbij je iets zou willen uitspuwen maar geen onopvallende recipiënt bij de hand hebt, dus slik je het tegen wil en dank maar door. En ondanks dat wil je maar één ding: doorlezen, om te weten hoe het verder gaat.

    Ik vond het een goed boek. En blijkbaar ben ik niet de enige, want ondertussen is het internationaal doorgebroken, is er een theaterbewerking van gemaakt en is er een verfilming in de maak. Benieuwd hoe de gedachtenmeanders van de verteller in visuele taal zullen worden omgezet…

    O ja, ook dit nog. Uit eten gaan wordt nooit meer hetzelfde hierna. Toen ik laatst ging lunchen, verwachtte ik half dat de serveerster met haar pink naar mijn bord zou wijzen en zeggen: ‘Dit is bulgur. De kaas in de quiche is gemaakt van melk van koeien die altijd buiten hebben gelopen. En deze witlof is afkomstig van een bioboerderij uit Oostkamp.’ Maar helaas, het bleef bij een niet-mededeelzaam ‘Smakelijk’.

    100 kindervragen

    Héél erg op de valreep, maar wellicht toch een nuttige cadeautip voor wie nog op zoek is naar een kinderboek.

    Bij Stichting Kunstboek is recent een reeks kinderboekjes verschenen onder de noemer ‘100 kindervragen’. In elk daarvan worden honderd vragen van kinderen over een bepaald onderwerp beantwoord door experts terzake die vaak met kinderen omgaan. Tot nu toe verschenen vier titels:

  • De boerderij
  • Voetbal
  • De zee
  • Sterren en planeten

    Het leuke en originele aan het concept is dat de vragen echt van kinderen zelf komen. Dat zorgt voor een verfrissende en onbevangen kijk. Een greep uit de vragen: Hoe komt het dat een bok altijd stinkt? Is het belangrijk dat een voetballer zijn kousen hoog optrekt? Hoe zwemt een schelp? Kan je in het ruimtestation naar de dokter?

    Om maar te zeggen: je merkt meteen dat hier geen grote, wijze volwassene zat te bedenken wat nu eens een interessante vraag zou kunnen zijn voor een kind.

    Wat ze wel doen, die slimme volwassenen, is de vragen op een heel heldere, beknopte manier beantwoorden. Geen evidentie, want soms gaat het om wetenschappelijke of erg technische materie die in eenvoudige, verstaanbare bewoordingen moet uitgelegd worden. Maar de auteurs zijn er stuk voor stuk in geslaagd om moeilijke dingen op een heel simpele, aantrekkelijke manier uit te leggen.

    Ten bewijze: als zelfs een voetbalhater als ik het boekje over voetbal razend interessant vond, dan wil dat wat zeggen! Als tekstchirurg heb ik mij dan ook met heel veel plezier over deze reeks gebogen voor de eindredactie.

    Een aanrader om nieuwsgierige kinderen nog snel een heel fijn, interessant boekje cadeau te doen.

  • Merlijn en het sluiten van de poorten


    Dit is met voorsprong het bijzonderste boek dat ik het afgelopen jaar mocht redigeren. En misschien al in mijn hele carrière.

    Het gebeurt maar zelden dat ik zo zit te wikken en te wegen over een komma: zal ik hem weglaten of toch houden? Weg, weer terug, en nog een keer. Om dan te besluiten dat hij toch goed stond. Zo ging het vaak met dit boek. Ook met woorden, waarvan ik na wissen en weer plakken toch moest constateren dat ze precies goed stonden.

    Enfin, het was een plezier om met dit boek in de weer te zijn. Maar ook niet altijd een onversneden plezier, want soms was het ook echt werken. En dan bedoel ik niet gewoon het tekstwerk, maar ook innerlijk transformatiewerk.

    Want zo’n boek is het wel, dit. Het laat je niet onberoerd. Het is mij nog niet vaak overkomen dat ik midden in een redactie even een paar keer met de auteur moest overleggen om mezelf weer op te lappen omdat de inhoud zoveel losmaakte in mij. Zo’n boek is dit dus wel. Het leest niet als een pageturner – wel integendeel, je leest en proeft, laat bezinken, moet het een paar dagen aan de kant leggen en dan weer ter hand nemen om verder te doen waar je was gebleven. Om dan te constateren dat je niet meer dezelfde bent als waar je was gebleven toen je de laatste keer dit boek ter hand nam.

    Want zo’n boek is het wel. Het kneedt je en transformeert je terwijl je leest.

    Ik kan er eigenlijk weinig over vertellen, want het is vooral een boek dat je moet ervaren. Maar als je van elfen, draken en magiërs houdt, dan zit de kans er dik in dat Merlijn en het sluiten van de poorten je zal aanspreken. Het boek is van de hand van Veronika Reniers en is uitgegeven bij Het Oude Volk. Op de website van de uitgeverij kun je de eerste hoofdstukken inkijken, en als je dan verkocht bent, dan weet je het wel. Duik het boek in en laat je meevoeren. Je komt er aan het einde van je leeservaring gegarandeerd veranderd uit. Drakkar Ho!

    Graag gelezen: Kelderkind – Kristien Dieltiens

    Ja, de tekstchirurg leest wat af, moet je zo langzamerhand denken. Maar wees gerust: ik ben mijn schade aan het inhalen na lange maanden van hard werk. Af & toe komt er zo weer eens een gaatje vrij om een boek te lezen. En onlangs kwam er in zo’n vrij moment een prachtboek mijn leeservaring binnengedonderd, waardoor dat gaatje een gat in mijn agenda werd. Het is lang geleden dat ik nog eens de luxe heb genomen om mij gewoon een dag lang te zétten met een boek, en de wereld te laten ronddraaien tot het uit was. Dit was zo’n boek: Kelderkind van Kristien Dieltiens.

    Het stond al maandenlang op mijn lijstje van te lezen boeken, maar ik had het wat laten chambreren. Er waren twee redenen waarom het mij meteen aantrok, zodra ik erover hoorde: een van de hoofdpersonages heeft een ‘hazenlip’ en het andere hoofdpersonage is Kaspar Hauser. Ik kende die naam van horen zeggen uit de Duitse literatuur, maar wist niet eens dat het om een historisch personage ging. Nu dus wel, en dat trok meteen mijn aandacht. Ik ben een notoir liefhebber van historische romans, dus dit boek had elementen genoeg om het meteen op mijn lijstje van te lezen boeken te zetten.

    Twee verhaallijnen

    Genoeg ingeleid, waar zal ik beginnen?

    Het is een prachtig boek. Lees het.

    Dat zou voldoende moeten zijn, maar toch iets meer. Er lopen twee verhaallijnen door het boek – eerst parallel, en langzaam meer en meer verweven.

    De ene verhaallijn gaat over het historische personage Kaspar Hauser, een 16-jarige vondeling die in 1828 op pinkstermaandag opeens als uit het niets opduikt in Nürnberg. Hij kan nauwelijks lopen of spreken en heeft in zijn hand twee brieven die naar zijn afkomst verwijzen. Er wordt vermoed dat hij jarenlang zou hebben opgesloten gezeten, maar niemand weet er het fijne van. Mysterie, mysterie.

    De andere verhaallijn volgt Manfred, een jongen die geboren is met een gespleten lip, in een tijd waarin de chirurgie helaas nog niet zo ver stond dat je daarmee met een fatsoenlijk gezicht kon eindigen. Lelijkheid ten top dus, en uitstoting, bespotting en wat al nog meer is zijn deel.

    Wat beide personages met elkaar te maken hebben, ga ik hier echt niet vertellen, daarvoor moet je het boek lezen.

    Psychologische diepgang

    Wat ik wel wil vertellen, is dat ik ontzettend heb genoten van dit boek – vooral van het psychologische portret van Manfred. Je ziet hem opgroeien, zijn leven leiden in ‘lelijkheid’, worstelen om niet ten onder te gaan aan de reacties van de buitenwereld op zijn gezicht. Je ziet hoe de wereld zich langzaam dichttrekt over hem heen en hem uitstoot naar de schaduw. Je ziet ook de weinige ankerpunten waar hij zich aan probeert vast te houden: zijn moeder, zijn vriendschap met Hubert (wat ik trouwens een van de meest ontroerende elementen in het boek vond), de heiligen, de vrouw die verschijnt in zijn leven. Maar bovenal: je begrijpt hem. Enfin, ik toch. Ik kan mij alleen maar de horror voorstellen die het moet betekenen om met deze gezichtsafwijking op te groeien in een wereld zonder plastische chirurgie en zonder onze huidige reflex van politieke correctheid tegenover mensen die er anders uitzien.

    Anyway. Manfred gaat duistere wegen, maar je begrijpt hem op elke stap van zijn weg. Je ziet ook hoe ingenieus die weg wordt geplaveid door de auteur, die op een strategische manier de personages uitzet als op een schaakbord, zodat ze niet anders kunnen dan doen wat ze doen. Je ziet het noodlot zich voltrekken voor je ogen, en dat is een bijzonder boeiend en fascinerend schouwspel.

    En dan is er Kaspar. En met dat ene zinnetje zeg ik meteen al heel veel. Want ik moet toegeven: iedere keer dat ik aan een deel over Kaspar toekwam, telde ik stiekem de pagina’s om te weten hoeveel ik nog moest doorlezen tot ik weer aan Manfred toekwam. Het verhaal van Kaspar wordt grotendeels verteld via zijn dagboekfragmenten, en daar kon ik mij niet van de indruk ontdoen dat de auteur veel interpretatie en psychologische duiding in zijn woorden had gelegd waar het personage zelf waarschijnlijk nooit zou zijn opgekomen. Het was wel mooi, die duiding, en vaak ook diepzinnig en poëtisch verwoord, maar echt raken deed het mij toch nooit op een emotionele manier zoals bij Manfred.

    Een ingenieuze pageturner

    Hoe dan ook, naarmate beide verhaallijnen dichter bij elkaar kwamen en in elkaar begonnen verweven te worden, raakte ik toch ook meer en meer gefascineerd door het verhaal van Kaspar. Echt op hetzelfde niveau komen beide vertellingen niet, vind ik, maar ik had wel grote bewondering voor hoe de auteur de beide verhaallijnen in elkaar verweeft. En laat ons wel wezen, voor een ongedurige lezer als ik is het heel veelzeggend dat ik voor dit boek mijn vrije zaterdag een zaterdag liet wezen en alles aan de kant schoof om maar één ding te doen: mij in dit boek te gooien en het te lezen tot het uit was. Het is jaren geleden dat ik mij nog eens zo rücksichtslos in een boek gesmeten heb. Want het is een ontzettend vlot geschreven pageturner.

    En tot slot

    Nog een woord over de illustraties: die zijn van Carll Cneut en ze zijn prachtig. Kijk gewoon naar de cover en je weet genoeg. Een beeld om naar te blijven kijken. Ook de kleine tekeningen binnenin die symbool staan voor Manfred en Kaspar zijn treffend: simpel en mooi.

    Verder heb ik heb heel erg genoten van de citaten tussenin, op de scheidingspagina’s tussen de verschillende delen. Daar staan kleine juweeltjes bij, en ik apprecieerde heel sterk het feit dat het laatste citaat onvertaald in het Duits staat. Velen vinden Duits een onsexy taal – wel, ik vind dat Duits een mooie taal is, en dit laatste citaatje gaf aan het verhaal, dat zich in Duitsland afspeelt, net dat kleine kleuraccent dat het helemaal af maakte.

    Ten slotte vond ik – die een notoir hater ben van open eindes – die keuze deze keer heel erg geslaagd. Ik voor mij weet zò wat hij gaat kiezen. Maar het hoeft niet gezegd. Als je deze openheid niet kunt invullen, dan heb je het boek niet goed gelezen.

    Lezen!

    Ik kan maar één ding zeggen: kopen en lezen, dit boek. Trek je niets aan van leeftijdscategorieën – het staat gelabeld als ’15+’, dus uitgeeftechnisch valt het onder ‘jeugdliteratuur’, maar laat dat vooral geen reden zijn om er als volwassen lezer aan voorbij te gaan. Een goed boek is een goed boek.