Het word te gordtig. Help, de dt-regel!

De dt-regel is een bron van controverse. Mensen die hem kennen en correct toepassen, voelen zich vaak superieur als ze dt-fouten onder de ogen krijgen. Ze verwijten de schandaleuze overtreder van deze allerheiligste der heilige spellingregels van alles en nog wat, voornamelijk luiheid en gebrek aan respect voor de lezer. Terwijl het vaak over een gebrek aan grammaticaal inzicht gaat, of het simpele feit dat de regel er gewoon niet in wil, of geen hout snijdt voor de taalgebruiker in kwestie.

Om de dt-overtreder maar meteen gerust te stellen: je getuigt niet van morele zwakte of criminaliteit als je weleens zondigt tegen deze basisregel van de Nederlandse taal. Je zult er wel veel mensen mee op de zenuwen werken, zoals je ongetwijfeld al hebt ondervonden. Daarom, in het belang van de wereldvrede in het Nederlandse taalgebied, een korte opfrissing van de regel en al wat daarrond hangt aan emotionele ballast.

1. Waarom is de dt-regel zo onlogisch?

Dat vraagt de dt-overtreder zich af. Nochtans is hij de logica zelve, vinden de dt-kenners onder ons. Maar de verwarring ligt bij duo’s zoals

  • je wordt – word je, je vindt – vind je
  • je betaalt – je hebt betaald, het gebeurt – het is gebeurd

  • Het eerste soort probleem stelt zich bij werkwoorden waarvan de stam eindigt op -d, zoals word-en, vind-en, houd-en …
    Bij het tweede soort probleem gaat het om verwarring tussen verschillende werkwoordsvormen die regelmatig voorkomen en waarvan je soms uit gemak of haast naar de meest voorkomende grijpt.

    Een paar vuistregels:

  • In de gewone zinsvolgorde, waarbij het onderwerp vóór het werkwoord komt, is er maar één werkwoordsvorm die kan eindigen op -d: de 1ste persoon enkelvoud van werkwoorden met een stam op -d. Ik word, ik vind, ik beland, ik houd … Vroeger op school werd dat uitgelegd met het ezelsbruggetje ‘Ik drink nooit t(hee)’.
    De 2de en 3de persoon enkelvoud krijgen in de gewone zinsvolgorde altijd een t: jij wordt, hij vindt, je belandt, zij houdt…
    Om dat te onthouden hoef je alleen maar aan een ander werkwoord te denken waarvan de stam niet op een -d eindigt. Bijvoorbeeld:
    – ik krijg, ik zwem, ik val
    – jij kapt, je leest, jij komt
    – hij zoekt, zij heeft, het regent
  • Een 2de of 3de persoon enkelvoud die eindigt op -d is in deze woordvolgorde onmogelijk. Dat is de werkwoordsstam zonder -t, dus het equivalent van ‘jij kap’, ‘hij zoek’, ‘het regen’. Niet doen dus.

  • In een omgekeerde zinsvolgorde komt het werkwoord vóór het onderwerp. In technische termen wordt dit ‘inversie’ genoemd. En daar liggen de wolfsklemmen en schietgeweren.
    In deze zinsvolgorde valt de -t in de 2de persoon enkelvoud weg. Drink jij thee? Neen. Word je dan niet dorstig? Ook niet.
    De 1ste persoon heeft ook hier geen -t, dus ook bij inversie drink ik nooit thee. En vind ik altijd de juiste spelling van mijn werkwoorden.
    In de 3de persoon enkelvoud blijft de -t staan. Drinkt hij thee, dan is het groene. Houdt hij van iemand, dan is het met huid en haar.
    Ook hier weer kun je vergelijken met een ander werkwoord waarvan de stam niet op -d eindigt:
    – krijg ik, zwem ik, val ik
    – kap je, lees jij, kom je
    – zoekt hij, heeft zij, regent het
  • Of je kunt natuurlijk telkens het zinnetje met ‘thee drinken’ gebruiken. Altijd raak: drink ik thee, drink jij thee, drinkt hij thee -> word ik, word jij, wordt hij.

    2. Hoe zit het met u?
    Werkwoorden met een onderwerp in de beleefdheidsvorm ‘u’ hebben dezelfde vervoeging als de 3de persoon enkelvoud (hij/zij/het). U drinkt thee, drinkt u thee? -> U wordt bang, houdt u van mij? In tegenstelling tot bij de ‘je’-vorm valt de -t hier dus niet weg bij inversie.

    3. Wie heeft dat bedrag betaald? Het gebeurt automatisch
    Werkwoorden als betalen en gebeuren hebben helemaal geen stam die eindigt op -d, en toch worden ook hier vaak dt-fouten tegen gemaakt. *’U betaald bij aankomst’, *’Het gebeurd nooit’. De reden hiervoor heet met een moeilijk woord ‘homofoondominantie‘. Simpel gezegd: als twee woordvormen hetzelfde klinken (dus homofonen zijn), zoals gebeurt en gebeurd, schrijven we de vorm die we het meeste zien. Tenminste, als we niet de tijd nemen om bewust over de regel na te denken.

    De vorm met -d is bij dit soort werkwoorden voorbehouden voor het voltooid deelwoord. Om te weten of je het voltooid deelwoord van een bepaald werkwoord met een -d of een -t schrijft, bestaat er ook weer een ezelsbruggetje: denk aan de verleden tijd van het werkwoord. Als die eindigt op -de, eindigt het voltooid deelwoord op -d. Eindigt de verleden tijd op -te, dan eindigt het voltooid deelwoord op -t.
    Het gebeurde -> het is gebeurd; hij vertraagde -> hij is vertraagd; zij verwende -> zij is verwend.
    Hij hakte -> de tak is afgehakt; zij schopte -> ze werd geschopt; hij wenste -> hij heeft gewenst.
    Nog eens ten overvloede: in de tegenwoordige tijd kan een 2de of 3de persoon enkelvoud in de gewone woordvolgorde nooit eindigen op een -d. Dus: het gebeurt, hij vertraagt, zij verwent.

    4. ’t Kofschip
    Ja, maar hoe wéét je nu of de verleden tijd van een werkwoord eindigt op -de of -te? Daarvoor gaan we aan boord van ’t kofschip. Dat is alweer een trucje om je door de woeste baren van de spellingsoceaan te loodsen.
    Als de stam van een regelmatig werkwoord in de uitspraak eindigt op een van de medeklinkers uit ’t kofschip – t, k, f, s, ch, p of [sj] – dan eindigt de verleden tijd op -te. En het voltooid deelwoord dus op -t. Eindigt de stam van het werkwoord op een andere medeklinker, dan wordt de verleden tijd -de en het voltooid deelwoord -d. Zo weet je dus het verschil tussen schopte en schrobde.

    Om het allemaal niet te gemakkelijk te maken en omdat taal zo ontzettend logisch is, zijn er ook een paar instinkers. Bij sommige werkwoorden verandert v of z in de tegenwoordige tijd in f of s, bv. leven – hij leeft; grazen – de koe graast. In die gevallen kijk je voor de verleden tijd naar de infinitief zonder -en: lev-, graz- -> de laatste medeklinker is geen bemanningslid van ’t kofschip, dus de verleden tijd eindigt op -de en het voltooid deelwoord op -d: hij leefde, hij heeft geleefd; de koe graasde, ze heeft gegraasd. Het voordeel is dat je dit soort werkwoordsvormen regelmatig hoort en leest, dus als je ze hardop uitspreekt, weet je vanzelf dat het niet is ‘leefte’ of ‘graaste’, en je visuele geheugen zal je normaal gezien ook signaleren dat dit geen gangbare werkwoordsvorm is. Deze regel ziet er dus ingewikkelder uit dan hij in werkelijkheid is.

    5. Kan die dt-regel niet afgeschaft worden?
    In your dreams. Misschien komt het er vroeg of laat wel van, want taal evolueert, maar voor overmorgen zal dat nog niet zijn. Je leert dus maar beter de regel correct toe te passen als je niet om de haverklap commentaar wilt krijgen op je spelling. Maar niet getreur-, fouten maken gebeur- in de beste families. En toch: voor je het weet, wor- je een kei van een speller. Gegarandeer-!



    [Voor wie een spiekbriefje nodig heeft: d / t / d / d]

    De hang naar kapitalen

    Ik ben het de laatste tijd een paar keer tegengekomen in mijn redactiepraktijk: Nederlandse titels die met hoofdletters worden geschreven waar dat niet hoeft, en volgens de Nederlandse spellingregels eigenlijk ook niet hoort. Een paar fictieve voorbeelden: ‘De Hang Naar Kapitaal’, ‘Mijn Leven Met Twee Katten’, ‘Te Voet Naar Parijs’. Volgens de Nederlandse spelling moet dat respectievelijk zijn: ‘De hang naar kapitaal’, ‘Mijn leven met twee katten’, ‘Te voet naar Parijs’.

    Waarom beginnen mensen opeens titels vol hoofdletters te schrijven in het Nederlands? Een verklaring ligt voor de hand: de meesten van ons lezen veel Engels (op het internet en elders), en in het Engels worden de belangrijkste woorden in een titel met hoofdletters geschreven. Een paar bestaande voorbeelden: ‘Game of Thrones’, ‘Far from the Madding Crowd’, ‘The Englishman Who Went Up a Hill But Came Down a Mountain’. Als je dat gebruik aldoor rond je ziet in het Engels, kun je op den duur beginnen twijfelen of je dat ook niet in het Nederlands zo moet doen.

    Niet dus. In het Nederlands zijn we tamelijk zuinig met hoofdletters. Ook als het gaat om eretitels en functiebenamingen moet iemand al van erg hoge komaf zijn om een hoofdletter te verdienen. We schrijven over koning Filip, paus Franciscus, de minister van Onderwijs, de algemeen directeur van een onderneming … Meer daarover volgt nog wel eens in een aparte blogpost, maar het punt is: in het Nederlands strooien we niet zo snel met kapitalen.

    Terug naar de titels. Tenzij je Gerard Reve of Winnie de Poeh heet en graag Belangrijke Woorden een Hoofdletter meegeeft om er wat Extra Gewicht of een Ironische Lading aan te geven, volstaat het om het eerste woord van een titel met een hoofdletter te schrijven. Behalve uiteraard als er in de titel nog een eigennaam, plaatsnaam, merknaam … voorkomt. Die krijgt dan net als in lopende tekst ook een hoofdletter. Bijvoorbeeld: ‘Haar naam was Sarah’, ‘Nachttrein naar Lissabon’, ‘Apple of Windows? De keuze is aan u’. Een enkele keer kan het wel gepast zijn om een woord met een hoofdletter te schrijven om het een extra lading mee te geven, bv. ‘Het grote Niets’, maar ik zou er toch spaarzaam mee zijn.

    Wat doe je dan met Engelse titels in een Nederlandse tekst? Schrijf je ‘Ik ben gisteren naar Far from the Madding Crowd gaan kijken’ (de Engelse conventie) of ‘Ik vond Matthias Schoenaerts geweldig in Far from the madding crowd‘ (de Nederlandse conventie)? Taaladvies stelt dat beide kunnen, maar geeft de voorkeur aan de Nederlandse conventie. Ik geef toe dat ik zelf doorgaans de Engelse conventie volg, maar dat zal de anglist in mij zijn. Ook redacteuren hebben soms hun persoonlijke voorkeuren …

    In elk geval raadt ook Taaladvies af de Engelse conventie door te trekken in Nederlandse titels en daar alle woorden met een hoofdletter te schrijven. Niet doen dus.

    Tot slot. Gewoontes zijn hardnekkig, en de menselijke geest is zwak. Als je toch de onbedwingbare neiging zou hebben om een Nederlandse titel vol kapitalen te stoppen, dan kan ik de shocktherapie van dr. Switzer aanbevelen.