Hoe ontwikkel je een authentieke schrijfstem?

Een stem die iedereen herkent als de jouwe – markant, eigen aan je persoonlijkheid, die uitdrukt wat je wilt zeggen zoals je het wilt zeggen?

Door veel te schrijven. En door authentiek te schrijven.

Maar hoe schrijf je authentiek?

Tja, hoe bén je authentiek? Door jezelf niets voor te houden en door anderen niets voor te houden.

Een ‘valse’, fake schrijfstem ontstaat volgens mij door effectbejag, te willen scoren door bijvoorbeeld ontzettend intelligent of grappig te willen overkomen. Daar is niets mis mee als je het ook bént, maar als het gewoon een façade is om anderen te imponeren, dan prikken lezers daar al gauw door als door een zeepbel.

Doe gewoon

Hoe schrijf je authentiek? Door gewoon te doen, in mijn optiek. Maak je niet te druk om hoe je overkomt, of je wel serieus genomen zult worden, of je wel clever genoeg zult lijken, of grappig en belezen. Zeg wat je te zeggen hebt, en schrijf het zoals je zou spreken. Ik bedoel niet dat je per se een mondelinge zinsbouw moet hanteren – wie ooit transcripties heeft gemaakt van gesprekken weet hoe incoherent mensen vaak praten – maar wel dat je niet opeens een heel andere toon moet gaan aanslaan omdat je nu toevallig schrijft in plaats van spreekt.

In het ideale geval, vind ik, ‘hoor’ je de schrijver bijna spreken als je zijn zinnen leest. Een goede test is daarom ook je zinnen luidop te lezen. Zo hoor je of er flow in zit, en of het ook iets is dat je werkelijk zou kunnen zéggen, dat je uit je eigen mond zou krijgen. Als dat niet het geval is, laat het dan. Schrijf iets anders, dat dichter tegen jezelf aanleunt.

Schrijf vaak en leer luisteren

Een heel goede manier om je eigen schrijfstem te ontwikkelen is ochtendpagina’s schrijven. Ik heb het daar vroeger al over gehad. Het principe van ochtendpagina’s is dat je drie bladzijden lang gewoon doorschrijft, van het eerste woord boven aan de eerste bladzijde tot het laatste woord onder aan bladzijde drie. Je stopt geen moment, je schrijft wel volzinnen, maar je noteert enkel en alleen wat je ‘hoort’ in je hoofd.

Wat ik daarvan geleerd heb voor mijn dagelijkse schrijfpraktijk (als copywriter en tekstschrijver) is ‘Trust the little voices in your head’. Het gebeurt heel vaak dat ik een bepaald woord ‘hoor’ in mijn hoofd, en dat mijn redenerend verstand daartegen ingaat. ‘Neen, dat kan niet, dat gaat mensen choqueren, of het is geen goed Nederlands, of het is te zwart-wit’. Als ik dan een ‘gepolijst’ alternatief neerschrijf, waarvan ik vermoed dat het niemand tegen de haren in gaat strijken, dan stopt gegarandeerd de schrijfflow. Keer ik terug naar het woord dat ik eerst hoorde, dan keert de flow terug en schrijf ik moeiteloos verder – het exposé ontvouwt zich als het ware vanzelf.

Ready when you are…

Het is een beetje zoals channelen, denk ik. Een vriend van mij die channelt, beschreef het ooit als volgt: ‘The words are just there, patiently waiting, tapping their foot, “Ready when you are”…’

Of je nu in channelen gelooft of niet, ik vind het een heel mooie beschrijving van hoe het schrijfproces in zijn werk gaat – althans voor mij. Ik hoor heel vaak de woorden in mijn hoofd, en meestal heb ik het gevoel dat ik maar moet noteren wat ik hoor, als een soort mentaal dictee. Om dat soort van ‘luisteren’ te ontwikkelen zijn ochtendpagina’s een fantastische praktijk. Ik ken geen enkele andere methode – behalve misschien het frequent schrijven van persoonlijke e-mails – die mij zo diep in contact gebracht heeft met mijn innerlijke stem. En van daaruit volgt de uiterlijke schrijfstem, die daar eigenlijk gewoon een vertolking van is.

Maak er geen gevecht van

Ik ben er diep van overtuigd dat schrijven, authentiek schrijven, geen grote moeite hoeft te kosten. Ik zeg niet dat het altijd vanzelf gaat, en ik ben de eerste om toe te geven dat mijn redactierondes veel langer duren dan de eerste schrijfronde in de flow. Maar ik geloof niet in schrijven als een worsteling.

Als schrijven moeite kost, dan is de kans heel groot dat je er te veel strijd in steekt. Verwachtingen, faalangst, angst voor hoe je tekst zal overkomen. Twijfel of het wel goed genoeg zal zijn.

Schrijf gewoon, schrijf normaal, zoals je ook zou spreken. Houd je tijdens het schrijven niet bezig met hoe je tekst zal gelezen worden. Giet er de woorden uit zoals je ze hoort, of ziet, of hoe ze zich ook aan je voordoen. Redigeren kan altijd achteraf.

Schrijf wat juist is … voor jou

En praat je lezers niet naar de mond. Schrijf niet wat je denkt dat ze willen lezen, zélfs als je in opdracht schrijft. (Maar ik geef toe, dat is nog een ander debat, dat hier te ver zou voeren.) Schrijf in de eerste plaats wat juist aanvoelt terwijl je schrijft. ‘Be yourself; everyone else is already taken’, zoals Oscar Wilde zei. Ook in het schrijven. Al schrijf je met horten en stoten – zo zij het dan. Schrijf zoals je spreekt, zoals je bent.

Een authentieke schrijfstem ontwikkel je door authentiek te zijn terwijl je schrijft, en door te vertrouwen op je eigen stijl, die zich van binnen uit ontwikkelt. En dat gebeurt in de praktijk, door veel te schrijven.

De schaduwlezer op je schouder

Je kent het wel: je zet je aan het schrijven, voor iets dat straks de wijde wereld in moet (in verschillende gradaties van ‘wijd’ – van een nota die intern moet circuleren tot een folder voor een breed publiek of een website). En opeens zit er iemand over je schouder mee te lezen. Niet echt, maar in je gedachten.

Iemand die je censureert zonder dat je het wilt. Want je weet dat hij of zij gevoelig is voor het thema waarover je schrijft. Je bent bang om een verkeerde indruk te maken of – godbetert – een schadelijk woord te gebruiken, iets dat in slechte aarde zal vallen en de diplomatieke verhoudingen helemaal om zeep zal helpen. Of je kansen op promotie voorgoed zal verknallen.

En opeens blokkeert de woordenstroom. Je durft geen woord meer neer te zetten, uit angst dat het in je gezicht zal ontploffen. Een explosie van kwalijke gevolgen als je toch maar een fractie van een letter in de verkeerde richting zou schrijven. Je hand zit vast, de lezer schrijft mee – schrijft je voor wat wel en niet in de tekst mag. Je zou hem van je schouder willen kegelen, maar hij zit er muurvast op, als een papegaai op een stok. Om gek van te worden.

En anderzijds zijn er de inspiratoren. De mensen aan wie je maar ‘Dag X’ hoeft te schrijven en de woorden rollen eruit, onhoudbaar, niet te stoppen. Ik noem ze mijn muzen, de mannen (meestal) en enkele vrouwen die de woordenstroom in mij ontketenen. Als ik mij tot hen richt, dan krijg ik inzicht in mezelf, want door het aan hen te vertellen zie ik breder, dieper en duidelijker wat ik eigenlijk wil zeggen. Het is alsof ze – gewoon maar door er te zijn, als ontvanger van mijn berichten – de inspiratie in mij naar boven halen.

Heerlijke mensen. Voor mij is het trouwens een goede test voor vriendschappen, een barometer voor intermenselijke verhoudingen: ‘Kan ik naar ze schrijven?’ Of niet? De mensen naar wie ik schrijven kan, écht schrijven, behoren vaak tot mijn inner circle. Ze kennen mij, doordat ik naar hen schrijf. Ik schrijf naar hen omdat ze mij kennen. Het is een positieve vicieuze cirkel, waarvan ik het begin en het einde niet ken. Ooit kwam die mens in mijn leven, en nu schrijf ik naar hem of haar. Ooit schreef ik naar die mens, en toen landde hij of zij in het diepste van mijn leven.

Een tip voor als je vastzit met een tekst waarvan je niet weet hoe die ontvangen zal worden: verander het geweer van schouder. Schrijf niet langer voor de strenge, censurerende lezer die klaarstaat met zijn oordeel, die elk woord kan beschouwen als een bom. Schud hem van je schouder af en schrijf voor een van je muzen. Zelfs als de tekst in de verste verte niet voor hem of haar is bestemd.

Door in te tunen op iemand die de schrijfstroom in je wakker maakt – door je voor te stellen dat hij of zij je tekst zal lezen – zal je milder schrijven, losser, onbevangener. Zelfs als je muze je tekst nooit onder ogen zal krijgen, zal de verbinding die je met hem of haar hebt iets van zachtheid in je tekst brengen, een flow die andere lezers meevoert. Niemand hoeft te weten aan wie je de tekst in gedachten hebt geschreven, maar iedereen zal meegenieten van de flow van inspiratie.

Oh, Saturday

Oh Saturday, how do I love thee? Let me count the ways.
I love thee because the phone does not ring, the e-mail does not pling, the deadline keeps its silence, time stretches forever, chores get done, films get watched, books get read, souls get nourished and relaxed minds flourish. Bodies take it easy, daydreams weave their way, obligations vanish into thin air. I love thee with a love profound, oh Saturday.

Is goede spelling belangrijk?

Ja en neen.
Het is het einde van de wereld niet als je een spelfout maakt. We zijn alleen zo opgevoed, met het idee dat het een intergalactische ramp is als je een d schrijft waar een t hoort te staan, of een ei waar een ij moet.

Heeft dit belang? In het licht van de eeuwigheid natuurlijk niet. Op je sterfbed ga je niet verzuchten: ‘Ik wou dat ik een betere speller was geweest tijdens mijn levensdagen.’ Neen, je kijkt terug op wat er echt toe deed: de liefde, het leven, je inzichten, je ervaringen, je geluksmomenten, passie, wijsheid, vergeving, enzovoort.

Doet spelling er dan niet toe? Toch wel, maar ik wil vooral de bottomline meegeven dat het een conventie is.

Spelling is geen zaak van harde wetten, van lijfstraffen in geval van overtreding. Het is een zaak van afspraken, om de verstaanbaarheid tussen taalgebruikers in eenzelfde taalgebied te vergemakkelijken. Als ik West-Vlaams schreef, zou de helft (of meer) van mijn lezers snel afhaken. Als ik men text zou doorspeken met zpelfauwten dan sou het iedz moejleker gaan om ales flot te leezen.

Maar bekijk een Nederlandse tekst van honderd jaar geleden en je begrijpt meteen dat spelling relatief is. De visch werd vis, zoo werd zo, en den hond die men toen zag, werd gewoon de hond. Taal evolueert, onvermijdelijk, en de spelling evolueert mee.

Is de Nederlandse spelling makkelijk? Neen. Is ze logisch? Absoluut niet. Ik heb in mijn leven al een stuk of drie spellinghervormingen meegemaakt, en ook ik zucht iedere keer als er nog maar eens regels herzien worden. Regels waarmee we vroeger, als kind of student, om de oren geslagen werden als met de hand Gods.

Waarom is spelling dan belangrijk?

  • Omdat een correct geschreven tekst makkelijker leest, want hij volgt de conventies die we gewoon zijn. Niets leidt ons af op het oppervlakteniveau, de tekst gaat vlot binnen omdat hij ons verwachtingspatroon volgt. Een spelfout leidt af en verstoort de concentratie voor wie erop let.
  • Omdat je er een goede indruk mee maakt. Draai of keer het zoals je wilt: voor velen oogt een tekst met spelfouten slordig, onprofessioneel en – ik durf het bijna niet te zeggen – iets minder intelligent dan een zonder spelfouten.
  • Is dat een gegronde indruk? Soms niet. Ik ken mensen die bijzonder intelligent zijn, maar die dyslectisch zijn (woordblind) en daardoor geen zin correct kunnen schrijven. Maar soms heeft het ook te maken met onzorgvuldigheid. Gehaastheid om een tekst de wereld in te jagen, zonder nalezen. En soms, tja, soms heeft het ook te maken met een gebrek aan aanleg of interesse voor taal en spelling bij de schrijver in kwestie.

    Is dat erg?
    Neen, want zelfs met spelfouten is een tekst hoogstwaarschijnlijk verstaanbaar.
    Ja, want in contexten waar men zwaar tilt aan spelfouten (sollicitatiebrieven, publicaties, officiële documenten,…) gaat je imago snel onderuit als er een paar missers in je spelling zitten.

    Moraal van het verhaal? Spelling is onbelangrijk in het licht van de eeuwigheid en de Grote Vragen zoals de zin van het leven, de liefde en de dood. Spelling is belangrijk in de context van ons ondermaanse bestaan, waar je maar al te vaak wordt afgerekend op kleine fouten.

    Oplossingen? Gebruik de spellingchecker. Gebruik het Groene Boekje of Van Dale Online en doe de moeite om woorden op te zoeken waarvan je twijfelt aan de spelling. Lees je teksten na vooraleer je ze verzendt of publiceert. Lees ze na op papier, want dan zie je veel meer details dan op scherm. Of laat je teksten nalezen door iemand anders.

    Maar bovenal: relax, en zie spelling in haar juiste – relatieve – context. Een spelfout is geen karakterfout. Van spelling hangen zelden levens af. Ze kunnen wel je professionele imago schaden. Afhankelijk van hoe zwaar je daaraan tilt en in welke beroepscontext je werkt, is spelling meer of minder belangrijk.

    Introducing change

    Boris, my cat, has never been a fussy eater. Basically she’s always eaten what I gave her. If I bought a new brand of cat food – after carefully reading the labels, of course, being the food freak that I am – she ate it, no questions asked.

    I began to think that all the warnings I’d read in cat books and on cat food packages – ‘Introduce the new food gradually, mix it with the food they know until they’re familiar with the new one’ – were all a bunch of hooey.

    Until I brought home a new sort of food recently. Not even an new brand, just the junior version of a brand she liked the adult version of. (Yeah, I’m a bit backward with my chronology. When it comes to raising young cats, I’ve never really found the logic in it.)

    Suddenly, she refused to eat. I didn’t understand. She loved the adult version, the junior chunks looked and smelled pretty much the same to me, just the size being a bit smaller, but other than that I didn’t see much difference. When I compared the nutrient breakdown on the labels, it all looked identical. Boris, though, had her own opinion. She took a look at her bowl, sniffed at it and turned away in disdain, her tail upright like an antenna, searching for better than this.

    I tried another brand. The information on the label was perfect in my eyes, it looked like good food, with high quality ingredients, and I’d heard good things about it. Same thing. She sniffed at her food bowl and then decided she wouldn’t have any of it. The maddening thing was that when I fed her a couple of morsels on my hand, or put them down for her on the floor, she ate them. ‘See?’ I told her, ‘You like this. This is good food, of course you like it!’ But it turned out to be a bit painstaking to handfeed her morsel by morsel.

    So in the end I went to the supermarket on an early Monday morning and bought her the food she knew and loved. Boy, was she happy.

    After that, I sneakily mixed some of the new food into the bowl with her favourite brand. Oh, you’d think she wouldn’t find out? Hah! She left five bites in her bowl – exactly, the chunks of new food.

    It began to look like a power struggle. I tried again, same thing.

    I gave up in the end. I surrendered to her taste and fed her a full bowl of her favourite brand. She ate and was happy.

    A couple of days later, I tried again. I mixed in some of the new food – good, premium food with great quality ingredients – into the food she knew and loved. She ate it, no questions asked.

    Going with our gut

    Sometimes I think it’s like that for us, humans, too. We stick to what we know and love. And who could blame us? Even if new options and changes look promising and totally justifiable on a rational level, when it comes to implementing them, we’re not always at ease with something new. Something unknown. Something we don’t know the ramifications of. We know what’s good for us – on a rational level – but we resist it, sometimes on a very arbitrary and irrational basis, judging with our gut feeling, our sense of smell, our taste.

    How to introduce change, then?

    Robert Maurer has written a very interesting little book about this topic. It’s called One Small Step Can Change Your Life: The Kaizen Way. The approach he suggests is based on the Japanese principle of ‘kaizen’: introducing change in an incremental way, one small step at a time.

    Maurer suggests taking ridiculously small steps – introducing changes that are so small you can’t possibly fail at them. In the case of Boris’s new food, that would mean adding one morsel of new food to her bowl every day, and then two, and then three, until she gets used to the taste of it.

    In the case of humans, that might mean cleaning up your desk one minute a day, and then 2 minutes, and then 3 minutes, until you’ve got a new habit of cleaning up your desk daily.

    The primitive part of your brain – the animal part, as Boris has so aptly proven – resists change. We stick to what we love, and we don’t like to deviate from the trusted path we know. If you want to introduce change successfully, it’s not a good idea to overthrow the whole structure you’ve set up in your life – or within the organisation you work in. It might shake things up, true, but it will primarily shake up a lot of resistance.

    If you can introduce change in a gradual, incremental way – so small that you or other people hardly notice it – chances are the change will be accepted much more organically, and with a lot less resistance.

    Think small enough to keep going

    As Maurer puts it:

    – Ask small questions.
    – Think small thoughts.
    – Take small actions.
    – Solve small problems.
    – Bestow small rewards.
    – Identify small moments.

    Don’t try to change your world in one fell swoop. It will exhaust you and frustrate you. Yes, you can move mountains, but take it one pebble at a time. As the Chinese saying goes, ‘A thousand mile journey begins with the first step.’ Take that step, and then the next, and then the next. Don’t calculate the 999.9 miles you still have to go. Focus on the foot in front of you and you’ll be all right.

    Of course it helps to keep your final aim in mind, but don’t blow it up too big. Don’t scare yourself into paralysis. If you take ridiculously small steps, if you make tiny changes you can’t possibly fail at, you will eventually build momentum, and trust, and self-confidence. Nobody likes change much, so sneak it into your trusted paths and habits. Change your world in tiny steps, and you will eventually have moved mountains without hardly noticing it.

    Pancakes for the orphans

    The doorbell rang. Normally my reflex is to stick my head out of the window and look down to see who’s at the door, but this time I just went downstairs and went to the front door. I took out my key and opened the lock, turning three times to the left, thinking the person outside must be thinking I live in a fortress. Which I do, in many ways. I’m a bit of a hermit, not too fond of visitors invading my personal space. It’s a personal oddity, I confess, but I’m just not that much into socializing.

    I opened the door and saw a woman standing in the drizzling rain. She looked a bit unhappy, a tad unhealthy, and she held a pack of pancakes in her hand. She started telling me that once a year, they – she said ‘we’ – sold pancakes to help the orphans of… and the rest of the name escaped me.

    I felt conflicting thoughts and energies weaving their way through me. I don’t buy at the door. I don’t eat sugar. I don’t have any money to spare on frivolities like this. I wonder what they cost. Orphans, that’s a good cause, why wouldn’t I spend some money on them? Ah well, I can always give them to my sister and her kids, they will like them. That way I don’t have to ruin my own teeth.

    I heard myself say, ‘How much do they cost?’ She said 5 euros. I groped into my pockets, thinking I probably didn’t have 5 euros on me and wondering what I’d do if I had to run upstairs for more – leave the door open, ajar, risk her coming in and robbing my home? I groped some more and found out that indeed, I did have 5 euros and even more on me. So I gave her 5, took the pancakes and thanked her, wishing her good luck with the rest of her sales tour.

    Against all odds

    Back inside, I wondered what had made me buy. Because this was a transaction against all odds. Like I said, I don’t buy at the door, I don’t eat sugar, the salesperson didn’t look attractive or convincing, and yet I went to open the door without checking in advance and bought without much afterthought.

    It crossed my mind that maybe she didn’t have any connection with orphans at all. She didn’t show me an accreditation with the name, address and stamp of an orphanage. Even if I’d caught the name of the organisation she mentioned, I wouldn’t have recognized it, because I’m not familiar with the world of orphans.

    Did I care? Not really. I mean care about the possibility that this was a scam. I thought it was a worthy cause and a tasty product at a reasonable price, so I bought it.

    Show up

    Does it really matter how much strategy, vision and values you’ve got in your sales approach? I’m not sure. Sometimes I think the basic premise of sales transactions is showing up. Make sure you’re there. Have the guts to go from door to door, even if you don’t look flourishing or particularly ravishing. Show up and tell what you’ve got to offer, even if you don’t do it very brilliantly or convincingly.

    Was I in her target group? Who knows how her target group was defined – if at all. ‘People living in Bruges’, at the most. Was I a likely buyer? Not in a million years. So what made me go downstairs, open the door and buy a product I’m not likely to consume? Her good vibes? She didn’t look like she was deliberately minding her vibe, as some of us would say. What were the odds of me having 5 euros in coins in my pockets? Small. What were the odds of me opening the door for a stranger selling door to door? Even smaller.

    And yet she caught me unawares, and even hooked me for a sale.
    Maybe it was her absence of glamour, of sales technique, of pushy, glitzy talk, that made me grope into my pockets and fish out five euros. Maybe it was her take it or leave it approach – I could see on her face that she wouldn’t have minded if I had said no – she’d probably had her fair share of no’s already that afternoon. But I said yes, and thank you.

    Never underestimate the power of showing up. Even if you don’t have the looks, or the brilliance or the perfect sales pitch. Just show up and tell what you’ve got to offer – take it or leave it, no harm done. You never know that the wrong person might be in the right mood at the right moment. And happen to have some extra change in their pockets.

    Resilience

    Resilience is when you fall down, you graze your knees, you hurt yourself badly and you cry – and then you get up again.

    Resilience is knowing that there’s one place better than down in the gutter: up on eye level, where you can see the world from a little higher, with a tiny little bit more perspective.

    Resilience means that despite the pain, the sorrow, the anxiety, the hurt and shame, you give it one more try and get up again – sometimes against all odds. But there’s no point in staying down, so you get up and try again.

    Resilience means you keep believing, keep going, even after the umpteenth fall and zillionth blow. It takes a bit of folly to get up time and again, but what’s the alternative? Right.

    That’s resilience.

    Back to Mia’s favourite words

    Labour of love

    I love editing. I can’t help it. There’s something so nice about making someone else’s text better. It’s truly not about correcting mistakes and knowing things better than the author. It’s about seeing the higher potential in a text and chipping away the imperfections, polishing the text sculpture until it’s smooth and beautiful. Yep, it’s a labour of love, at the service of the author.

    Käpt’n Blaubär

    Een van mijn lievelingsboeken in het Duits is Die 13 1/2 Leben des Käpt’n Blaubär van Walter Moers (ook wel bekend van Das kleine Arschloch, maar dat is weer een ander verhaal).

    Käpt’n Blaubär gaat al lang mee in mijn leven. Toen ik nog studeerde, keek ik op zondag vaak naar Die Sendung mit der Maus op WDR. Samen met Lindenstrasse was het een van mijn favoriete manieren om de zondag te verdrijven.

    Die Sendung mit der Maus was – en is nog steeds, denk ik – een fijn educatief programma voor kinderen, waarin je op speelse wijze allerlei dingen te weten kwam waarin je geen barst geïnteresseerd was, maar die toch hoogst interessant bleken. En en passant leerde je ook nog eens Duits, wat meegenomen was.

    Een van de vaste rubrieken was Käpt’n Blaubär, die aan zijn drie kleinzonen wilde zeemansverhalen vertelde, met een norddeutsche tongval (waarin je bv. /Strasse/ zegt en niet /Shtrasse/). Altijd geweldig amusant.

    En zo kreeg ik vele jaren later ‘Die 13 1/2 Leben des Käpt’n Blaubär’ cadeau. Het is een geweldige avonturenroman, met de wildste, onmogelijkste fantasiefiguren. Ik heb het indertijd in één ruk uitgelezen – of toch in een paar stevige rukken, want het is een turf van 700 bladzijden – en heb er ontzettend van genoten. In het bijzonder van de Pterodaktylus Salvatus of Rettungssaurier, een rondvliegend prehistorisch dier dat levens redt in letzter Sekunde… Spanning verzekerd.

    En natuurlijk zijn er ook de tientallen andere fabelachtige figuren, steevast vergezeld van een uitleg uit het Lexikon der erklärungsbedürftigen Wunder, Daseinsformen und Phänomene Zamoniens und Umgebung van Prof. Dr. Abdul Nachtigaller.

    Ach, je moet het gewoon gelezen hebben om te weten wat er zo geweldig aan is. Gegarandeerd genieten. Is je Duits niet goed genoeg om een dikke klepper in het origineel te lezen? Geen nood, dit boek is vertaald als De 13 1/2 levens van Kap’tein Blauwbeer. Veel plezier ermee!

    Terug naar de boekenhoek